Ultrakorte verhalen

Op deze pagina staan  ultrakorte verhalen van niet meer dan 99 woorden die ik plaatste in de Facebookgroep van Schrijven Online.

De overige zijn te vinden in 20192018 en 2017.

 

Feestdag

Margaret pakt haar koffiekopje en neemt een slok. Haar ogen dwalen naar de lege stoelen. Op tafel staat een grote slagroomtaart, vers van de banketbakker.
Regelmatig kijkt ze naar de deur, maar hij blijft gesloten.

De telefoon rinkelt. Haastig loopt ze ernaartoe en neemt op.
‘Dank je, ik begrijp het,’ zegt ze. Vlak klinkt haar stem.
Ze sjokt terug naar haar plaats.

Na de zevende telefonische felicitatie  staat ze resoluut op, pakt de slagroomtaart en werpt deze in de vijver. Razendsnel verorberen krijsende  meeuwen het onverwachte feestmaal, terwijl Margaret toekijkt.

22-08-2019

Pantoffeltijd

Kwart voor zes: de aardappelen staan op het vuur. Het aanrecht is een ravage. De baby huilt. 
Tien voor zes: Michelle struikelt over een speelgoedauto. Het zweet breekt haar uit.
Vijf voor zes: ze plaatst pantoffels onder zijn stoel.

Om zes uur rammelt het slot en stapt hij de kamer binnen.
‘Wat een bende. Zeker weer de hele dag lui op de bank gelegen, terwijl ik werk.’
De baby krijst hartverscheurend.
‘Breng dat kind naar bed. Ik wil rustig eten.’

Ze loopt naar de keuken, pakt de pan met hete aardappelen en smijt deze tegen het bloemetjesbehang.
Hij ontploft.

 21-08-2019

Dit verhaal stond week 28 in de schijnwerpers bij Schrijven Online

Fietstocht


Versie 2


Een voor een betreden ze de kerk: vader, moeder en zes dochters. Moeder draagt een hoed en een zwarte bloemetjesjurk reikend tot haar kuiten. De meisjes dragen lange ruisende rokken en eveneens een hoedje. 

‘Blijf nederig,’ galmt de dominee, ‘verhef je niet boven anderen zoals Absalom.’


De hoedjes gaan in de fietstassen en het gezin zoeft de heuvel af op weg naar huis. De oudste dochter fietst voorop, staand op de trappers. ‘Joehoe,’ roept ze. Haar twee vlechten wapperen in de wind,

‘Pas maar op dat je niet met je haren in de struiken blijft hangen,’ lacht haar zus.


Versie 1
Ze zoeft met haar fiets de heuvel af, staand op de trappers. Haar gezicht straalt.
‘Pas maar op dat je niet met je haren in de struiken blijft hangen,’ roept het meisje achter haar dat sprekend op haar lijkt.
Een voor een zoeven ze langs: een orgelfrontje van groot tot klein .
Allen dragen rokken tot over de kuiten. De moeder fietst achteraan in haar zwarte bloemetjesjurk.

Ik sluit mijn ogen en zie voor me hoe ze zondags in optocht naar de kerk trekken. De meisjes dragen hoedjes.
‘Blijf nederig,’ galmt de dominee, ‘verhef je niet boven anderen, zoals Absalom.’

Nel Goudriaan 6 augustus 2019

Mijn lief (5)

Tevreden slaat hij de graven gade: netjes aangeharkt, dorre bladeren verwijderd.
Elke dag weer geniet hij van zijn werk op de begraafplaats. De eeuwenoude bomen kent hij alle bij naam. De zang van de merel begeleidt hem als hij de kruiwagen met afval naar de groenbak rijdt.

Tot zijn verbazing ziet hij daarin bossen rozen, nog in cellofaan verpakt. Ze lijken nog vers.
Hij pakt een bos en zijn oog valt op het kaartje: “Voor mijn lief”.
Zonde om weg te gooien.

Zijn vrouw straalt als hij haar de rozen overhandigt.
‘Wat lief van je en zo’n mooi kaartje.’

Mijjn lief (4)

Twee vrouwen staan bij het graf. Clara is de eerste die haar mond opendoet:
‘Wat doe jij  bij mijn Gerard. Je woont toch in Frankrijk?’
‘Ik woon in Breezand,’ antwoordt Evelien.
‘En die berichten op Facebook met foto’s van jouw huis?’
‘Ik logeer regelmatig bij mijn nicht in Bretagne.’
Clara onderdrukt de neiging haar in het gezicht te slaan:
‘Zo ga jij om met je vriendin: je vertelt haar leugens en pikt haar man in.’

Clara beent de begraafplaats af. 
Breezand: Gerard bezocht daar twee keer per week de kaartclub.
‘Trouw tot in de dood,’ beloofden ze elkaar ooit.

Mijn lief (3)

Ondanks de regen is Clara niet van plan naar huis te gaan. Ze leunt tegen de stam van een beuk met uitzicht op het graf. Zeven bossen rode rozen smeet ze in de groenbak. Wie brengt háár lief dagelijks bloemen? Die indringster zal ze op heterdaad betrappen.

 

Voetstappen weerklinken: een vrouw onder een zwarte paraplu nadert het graf. Ze buigt voorover en legt een bos rozen neer.Clara grijpt haar kans en duwt haar met haar gezicht in de dorens.‘Je verdiende loon!’De vrouw staat op; bloed druipt langs haar wangen.Clara herkent haar uit duizenden: ‘Jij hier?

 

 © Nel Goudriaan 17-07-2019

 

 

Mijjn lief (2)

De rozen zijn weg. Zelfs het lint met daarop ‘Voor mijn lief’ is verdwenen. Verbijsterd kijkt Evelien naar de lege plek bij het graf. Gerard had al eens verteld dat Clara extreem jaloers was, maar dat ze zo ver zou gaan ...

 

Ze denkt terug aan de afscheidsdienst. Op het laatste moment was ze binnengeslopen en vond een stoel op de achterste rij. Voor haar verdriet was geen plaats. Sterker nog: ze bestond niet.

Mooie woorden over een hardwerkende huisvader en trouwe echtgenoot striemden haar ziel.

 

‘Lieveling, ik zal rozen voor je kopen. Telkens weer.’

 

©  Nel Goudriaan 15-07-2019

Mijn lief (1)

Als Clara aankomt bij het graf, ziet ze een bos rode rozen. Ze zijn vers, er hangt een kaartje aan: ‘Rust zacht, mijn lief.’

Wie heeft deze rozen bij haar Gerard neergelegd? Haar knieën worden slap. Ze wankelt, er trekt een waas voor haar ogen.‘Gaat het, mevrouw?’ vraagt een oudere heer die voorbijkomt.

Ze schudt haar hoofd.

‘Het valt niet mee een geliefde te verliezen.’ Hij kijkt naar de rozen. ‘Mooi boeket. Veel sterkte.’

 

Clara grist de rozen van de steen, smijt ze in de groenbak en rent weg.

 

 © Nel Goudriaan, 14-07-2019

Zomaar een zomerdag

Mieren marcheren over bloedhete klinkers in mijn tuin. Voor de keukendeur lijken ze even te aarzelen, maar dan trekt de stoet resoluut verder. De sienna keukentegels kleuren zwart. Ze wandelen omhoog richting het aanrecht en de keukenkastjes om uiteindelijk lunchpauze te nemen. De pot met zelfgemaakte kruisbessenjam lonkt.

 

Ik laat ze met rust en neem plaats onder de parasol. Een reiger vliegt op met luide schreeuw en landt zonder pardon boven mij. Klodders wit vallen naast me neer. Ik zou een tuinslang moeten pakken, maar de zinderende zomerzon brandt te fel om op te staan. Mijn ogen vallen dicht.

 

© Nel Goudriaan juli 2019

Begraven

‘Mama, Cavia wil niet met me spelen.’

‘Misschien slaapt hij.’

‘Maar zijn buik gaat niet op en neer.’

Ik loop naar de kooi en zie het meteen. ‘Paul, kom eens bij me zitten. Ik moet je iets vertellen: Cavia is dood.’

‘Net als die mug vorige week?’

‘Ja.’

‘Heb jij Cavia ook doodgeslagen, hij was toch lief?’

‘Nee, natuurlijk niet, jongen.’ ‘Kan de dokter hem weer beter maken?’

‘Dat kan helaas niet.’

‘Moet hij nu onder de grond net als opa ?’

‘We begraven hem straks samen.’

‘Mag hij naast opa liggen, dan is hij meer niet zo alleen.

Opvolger

Ze liepen zwijgend door de akker. Aan hun laarzen kleefde zompige klei. De aardappelen waren gerooid. De lucht kleurde langzaam rood.

Bij de sloot hielden ze stil en ze staken een sigaret op.

De zoon doorbrak de stilte: ‘Pa, ik kan het niet.’

‘Natuurlijk kun je het, jongen.’

‘Ik wil het ook niet.’

‘Maar hoe moet het verder, als ik geen opvolger heb?’

‘Ik weet het niet.’

 

Ze liepen terug. De boerenkool met worst dampte op tafel. Zonder woorden vulden ze hun magen. De zoon keek naar zijn vader: in het lamplicht leken de groeven in zijn gezicht dieper.

Tante Jans

 

Ze zag er altijd tiptop uit. Als coupeuse naaide ze kleding op maat voor adellijke dames. Ze was een slanke vrouw met verfijnde trekken.

Een lieve lach, soms die blik vol droefheid, niet te verklaren.

‘Hoe komt het dat u nog steeds bij uw moeder woont, tante? vroeg ik haar eens.

Ze nam me mee naar de zolder en opende een grote koffer.

 

‘Hij reisde vooruit naar Indië om ons huis in gereedheid te brengen. Ik zou wachten op het  bericht, wanneer ik kon komen.’

Ze neemt de witte trouwjurk uit de koffer en strijkt over de glanzende stof.

 

© Nel Goudriaan 2 maart 2018

 

Voorgelezen op vrijdag 4 april op Radia NPO 5 (Ron wacht op de nacht)

 

 

 

Zandbak

 

Tractoren, rupsen en hijskranen denderen langs onze achtertuin. Vloeren en ramen trillen. Stoere werkmannen in oranje hesjes lopen over het bouwterrein. Sloten worden gevuld met zand. Een berg van stenen verheft zich boven de vlakte. Grote plastic zandzakken zorgen ervoor dat tuinen niet onderlopen. Regen klettert tegen de ruiten.

 

Ik zie in gedachten de mannen als kleuters spelen in de zandbak. Aan leren hadden ze een broertje dood. Liever zagen ze de vogels vliegen. ‘Er komt niets van jullie terecht,’ riepen wanhopige leerkrachten.Terwijl anderen zich in files naar kantoren begeven, spelen zij samen in een grote zandbak.

 

© Nel Goudriaan @ 30 oktober 2018

Doelpunt

‘Rustig spelen en in de kamer blijven.’

‘Ja, pap, klinkt het eenstemmig.’

Ze luisteren hoe hij de trap oploopt en de deur boven opent.

Vanuit de slaapkamer klinken vreemde harde geluiden, oerkreten. Ze pakken elkaar beet, troosten kleine broer die in snikken uitbarst.

De uren verstrijken, sommige ogen vallen dicht.

 

Eindelijk verschijnt hij in de deuropening met een wit gezicht en een brede lach.

‘Verrassing: jullie hebben er een broertje bij.’

Luid gejuich klinkt op. Handgeklap en gestamp van tien paar jongensvoeten.‘

We zijn compleet.’

In een stoet trekken ze naar boven: kleine broer voorop met een rond cadeau.

Ogenblikvanger

Elke dag vangt hij mijn blik: soms staat hij langs de waterkant, meestal gewoon op straat. In zijn hand draagt hij een vangnet. Hij draagt kleurige kleding en daarbij een goudkleurige hoed.
Ik vraag me af wie hij is en wat hij doet.
Vandaag trek ik de stoute schoenen aan en stap op hem af:
‘Goedemorgen, mijnheer, mag ik vragen wat u aan het doen bent?’
‘Jazeker, ik vang geluksmomenten. Voor je het weet, vliegen ze weg.’
‘Hoe herkent u  ze?’
‘Ze zijn licht, glanzend en kleurrijk.
Kijk, dit moment ving ik zojuist.’
Hij reikt me een spiegel aan.
© Nel Goudriaan 26 juli  2018
Dir verhaal stond in de top 5 van Schrijven Online

Witte duif

Haar trouwjurk sleepte door de modder en kleurde zwart van onderen. Maandenlang waren ze bezig geweest met de voorbereidingen. De bruiloft was tot in de puntjes geregeld, vooral door moeder en schoonmoeder. Samen kozen zij de designmeubelen voor de patiowoning. Ze protesteerde, maar haar verloofde suste: ‘Schatje, laat ze. Ze bedoelen het goed.’ 

 

Slechts één wens werd na protest vervuld: een witte duif. De kreet van Schoonmoeder: ‘zo romantisch’ gaf de doorslag. De blikken van verbaasde voorbijgangers deerden haar niet. Vanuit de verte hoorde zij haar naam roepen. De witte duif spreidde haar vleugels en vloog de vrijheid tegemoet.

 

© Nel Goudriaan 13 februari 2019