Verlaten

Verbijsterd staart ze naar haar lege tijdlijn. Geen poezenfoto’s, vrolijke vrienden, geen bloesem, zelfs geen ultrakort verhaal. Alsof ze na een gezellige stapavond alleen in het café is achtergelaten. Ze roept: ‘Oehoe, waar zijn jullie?’ Haar stem blijft hangen in de leegte.
Ze opent haar vriendenlijst: van de tweehonderdvijftig zijn er nog maar dertien over.
Een paar ervan zijn al enkele jaren geleden overleden. 

Toch plaatst ze een foto en kijkt elke vijf minuten of er al een like is. Tevergeefs.
Langzaam dringt tot haar door dat ze voortaan voor zichzelf leeft. Er wordt niets meer gedeeld.
Helemaal niets.

@Nel Goudriaan 10 april 2018

Ontkomen

Net op tijd stapt ze in lijn 13. Een walm van knoflook, de muffe geur van regenjassen, een kruidig parfum dringen zich aan haar op.
Ze zet een stapje opzij om zich te ontdoen van een lijf dat tegen haar aandrukt. Tevergeefs.
Er rest niets dan mee te deinen met de massa. 

Bij de Westerkerk verlaten mensen de tram. Eindelijk bewegingsruimte. In een fractie van een seconde is er plotseling dat mes. Gericht op haar. Een man kijkt haar strak aan. Er daalt een merkwaardige rust over haar.
‘Jij gaat eraan,’ fluistert hij.
Pas in de nacht schreeuwt ze het uit.

@Nel Goudriaan 9 april 2018

Nog meer

Nog meer

 

Ze aarzelt bij de deur.

‘Durf je soms niet?’ 

‘Natuurlijk, maar ik weet niet, ...’

‘Ik geloof er niets van. Je hebt het gewoon niet voor me over.’

Haar hart gaat wild tekeer, de wereld om haar heen draait.

Als ze niet doet wat hij vraagt, is ze hem voorgoed kwijt.

Met een tasje onder haar arm komt ze terug. Hij neemt het onmiddellijk van haar af.

‘Heb je alles? Het geld, de sieraden?’

 

Ze huivert als ze ‘s avonds ziet hNoe haar moeder huilt op zoek naar haar dierbare sieraden.

Hij appt haar: ‘Er is vast veel meer geld.’

 

@Nel Goudriaan 18 maart 2018

Ongeopend

Op de zolder na is het huis leeg. Er staan vele dozen en koffers. Herinneringen liggen verscholen onder het spinrag. Ik begin met opruimen en zie ik een ongeopend postpakket met daarop de naam van mijn opa, de postzegels ongestempeld. Het bevat een doosje met  daarin een lege notendop en een brief in het handschrift van mijn oma:

 

Beste Jan, onze relatie is een lege dop. Binnenkort vertrek ik naar naar mijn geboorteland Indonesië. Deze eenzaamheid verdraag ik niet langer …

 

Verdriet overvalt me, als ik mijn oma weer voor me zie met die onbestemde blik vol heimwee en verlangen.

Nee

Nee

‘Met Maaike Zwart.’

‘Een hele goede middag, spreek ik met mevrouw Zwart?’

‘Ja.’

‘Hebt u een momentje?’

‘Nee.”

“Ik bel u om …’

‘U hoort me toch?’

‘Ik …’

“Nee, nee en nog eens NEE! Ik koop niets via de telefoon.’

“U bent winnaar van de Bankgiroloterij.”

“Ik wíl niet winnen. Nu niet en nooit niet.”

Vechter

‘Je bent altijd een vechter geweest, waarom zou je nu opgeven?’

‘Ik vecht niet tegen windmolens.’

‘Kom op, als je nu de strijd staakt, ben je zeker een verliezer.’

‘Je plaatst me in het verkeerde scenario.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Moet ik het spellen? Ik vecht graag met gelijkwaardige tegenstanders. Nu is er een complete legermacht die alles van binnen vernietigt.’

‘En je kijkt alleen maar toe?’

‘Ik accepteer het leven zoals het komt.’

‘Een dooddoener.’

‘Wat denk je van die andere:

-Na een moedige maar oneerlijke strijd-?’

 

‘Gelukkig ga je met mij nog wel de confrontatie aan.’

De vraag

De vraag

De vraag komt als een donderslag bij heldere hemel:

‘Wil je met mij verder?’

‘Na al die jaren?’ stamel ik.

 

‘Ik weet het zeker.’

Ik sluit mijn ogen: eindeloos vrijen op het strand. naakt de zee inrennen, broodjes smeren en altijd weer het onvermijdelijke afscheid. Daarna het wachten, de eenzaamheid, het verlangen. Ik heb me erbij neergelegd dat we slechts genoten van de krenten in de pap.

 

‘Wat ben je stil. Ben je niet blij dat ik eindelijk de knoop heb doorgehakt?’

Hij neemt me in zijn armen. Ik huil.

‘Het is te laat, we lieten onze tijd voorbijgaan.’

Zilverschoon

Zilverschoon 

‘Was het weer gezellig met oom Peter gisteravond?'

 'Ja hoor,' mompelt ze. 

‘Zo fijn, dat hij hier zo graag oppast.’

‘Spreken is zilver, zwijgen is goud,’ dreunt het na in haar hoofd. ‘Het is ons geheim.’

Ze proeft nog steeds de vieze smaak in haar mond. Het glas cola nam deze niet weg.

 

Op tafel staat de vaas met bloemen die ze voor haar moeder plukte uit de tuin: zilverschoon.

Ze glanzen prachtig.

Tranen prikken in haar ogen. Ze kan niet langer zwijgen: van geheimen heeft ze haar buik vol.

‘Mam, ik moet je iets vertellen.’

Overzijde

Overzijde

 

‘Zal ik je begeleiden naar de overzijde?’ vraagt hij. ‘Het is gratis; je hebt tijdens je leven al genoeg betaald.’

‘En dan?’

‘Ik laat je daar alleen.’

Ze kijkt naar het zwarte water van de rivier. Het boezemt haar angst in. Aan deze zijde is het vertrouwd en veilig. Of is dat maar schijn?

Ze stapt in de boot.

‘Er is geen weg terug,’ zegt hij.

Ze sluit haar ogen.

 

Als ze haar ogen opent, ziet ze de intens groene kleur van een weide. Een witte vogel strijkt neer op haar schouder. Heel voorzichtig raakt ze haar vleugels aan. 

Eindig

 Het was lente. We speelden met zijn vijven in het bos. Jaap was er die dag niet bij. Eigenlijk was ik daar stiekem een beetje blij om, want hij kon soms echte pestkop zijn.

Thuis hoorde ik dat hij ziek was. In de keuken fluisterden mijn ouders. Ik verstond alleen: ‘hoofdpijn, erge hoofdpijn.’ Daarna waren ze extra bezorgd om mij ...

 

Er ging een week voorbij. De dag waarop hij stierf, scheen de zon uitbundig. Een merel zong en de prunus stond in volle bloei. Zonder hem. Voor het eerst besefte ik dat het leven eindig was.