Ultrakorte Verhalen

VIJF ULTRAKORTE VERHALEN



NOG NIET


Kleuren overweldigen haar. Vooral het felle geel doet pijn aan haar ogen. Waren ze altijd al zo luidruchtig aanwezig?

Ze loopt naar de rozenstruik, de zoete geur bedwelmt haar.

Het gras is bezaaid met madeliefjes, die fel oplichten in de zon.

Met haar handen streelt ze over het gras, nog nat van de morgendauw. Een koolwitje fladdert boven de hortensia. Ze kijkt hem na als hij wegvliegt.

Haar benen trillen, ze wankelt door de openslaande tuindeuren naar binnen.


Weer in de kamer schuift ze de gordijnen dicht. Veilig in haar cocon. Ze is nog niet klaar voor het licht.


GEBONDEN


‘Voor je uit kijken. Maak geen oogcontact met anderen.’

Mijn pols knelt, zijn hand raakt de mijne. 

Hij bepaalt het ritme; willoos loop ik met hem mee.

‘Goed zo, je laat je verzet varen,’ fluistert hij.

We naderen een stiller gedeelte van de stad. Niet langer houd ik mijn hoofd gebogen.

‘Maak me los, vertrouw me,’ smeek ik, ‘ik loop niet meer weg.’

‘Dat vertrouwen heb je voorgoed verspeeld.’

We lopen onze woonstraat in. Hij steekt zijn hand op tegen de buren.


Weer thuis ontsluit hij de handboei. Mijn pols ontspant.

 Deuren en ramen gaan op het nachtslot.



DOELPUNT


‘Rustig spelen en in de kamer blijven.’

‘Ja, pap, klinkt het eenstemmig.’

Ze luisteren hoe hij de trap oploopt en de deur boven opent.

Vanuit de slaapkamer klinken vreemde harde geluiden, oerkreten. 

Ze pakken elkaar beet, troosten kleine broer die in snikken uitbarst. 

De uren verstrijken, sommige ogen vallen dicht.


Eindelijk verschijnt hij in de deuropening met een wit gezicht en een brede lach.

‘Verrassing: jullie hebben er een broertje bij.’

Luid gejuich klinkt op. Handgeklap en gestamp van tien paar jongensvoeten.

‘We zijn compleet.’

In een stoet trekken ze naar boven: kleine broer voorop met een rond cadeau.


ONTBIJT


Lang aarzelde ze, maar toen hij haar vroeg samen te wonen, zei ze volmondig ‘ja’.

Het bleek een goede beslissing te zijn: hij was vrolijk, galant, opende deuren en hing haar jas op.

De eerste morgen kwam hij de slaapkamer binnen met een ontbijt voor twee: vers geperste sinaasappelsap, een gekookt eitje, broodjes, koffie en croissants. Ze at vol smaak. Hij ruimte alles op, zelfs de kruimels in het bed.

‘Heerlijk, schat, wat ontzettend lief van je.’

Hij glimlachte en zei: ‘Je weet nu precies hoe het moet. Vanaf morgen verwacht ik dat jij dagelijks de honneurs waarneemt.’


BEN JE DAAR NOG?


In de stilte van de avond is alleen het tikken van haar vingers te horen.

Een smiley hier, een smiley daar en letters. Veel letters.

Af en toe klinkt er een ‘ping’. Dan glimlacht ze.

Een helder geluid haal haar plotseling uit haar concentratie.

Verdwaasd kijkt ze om zich heen. Waar komt het vandaan?

Ze loopt naar de voordeur; daar staat niemand.

Het gerinkel houdt aan: het komt vanuit de kamer.

Dan ziet ze het: de huistelefoon is verlicht.

Ze neemt hem op.

Een stem: ‘Lang niet gesproken,’ zegt hij. 

Hoge, lage tonen, tranen, een schaterlach vullen de ruimte.










 





OPVOLGER


Ze liepen zwijgend door de akker. Aan hun laarzen kleefde zompige klei. De aardappelen waren gerooid. De lucht kleurde langzaam rood.

Bij de sloot hielden ze stil en ze staken een sigaret op.

De zoon doorbrak de stilte: ‘Pa, ik kan het niet.’

‘Natuurlijk kun je het, jongen.’

‘Ik wil het ook niet.’

‘Maar hoe moet het verder, als ik geen opvolger heb?’

‘Ik weet het niet.’

Ze liepen terug. De boerenkool met worst dampte op tafel. Zonder woorden vulden ze hun magen. De zoon keek naar zijn vader: in het lamplicht leken de groeven in zijn gezicht dieper.


ONGEWENST


De tassen propte ik onder de tafel en ik bestelde een club sandwich. 

Een paar dames, zo te zien net terug van de kapper, namen plaats aan de tafel naast me.

Misprijzend keken ze naar mijn tassen.

‘Bespottelijk dat ze hier huismoeders toelaten met boodschappentassen.Zo ordinair.’

Ik deed alsof ik niets hoorde, pakte een boek en begon te lezen.

‘Niet normaal, zeg, lezen aan tafel. Wat onhygiënisch,’ sprak de andere dame op hoge toon. Ik heb trouwens al mijn boeken weggedaan. Stofnesten zijn het.’

Mijn club sandwich arriveerde. Zij bestelden een groene salade en water voor de hond.


HOND


‘Mama, mag ik een hond?’ vraagt mijn vijfjarige zoon.

Deze vraag vrees ik al sinds hij geboren is. Elk kind wil op een gegeven moment een hond.

‘We gaan naar de Kringloopwinkel om een mooie uit te zoeken.’

‘Maar dat is geen echte. Ik wil er een om mee te rennen.’

‘Het is zielig voor de hond als jij naar school bent en ik naar mijn werk. Dan gaat hij huilen, omdat hij zo alleen is.’

Een diepe rimpel verschijnt boven zijn ogen.

‘Maar mama, dan kopen we er toch gewoon twee. Dan kunnen ze samen de hele dag spelen.’


KLEEDJE


Met mijn zoontje van vijf stap ik in de bus. Hij struikelt over een hond die breeduit over het middenpad ligt. Luidkeels begint het beest te blaffen.

‘Rothond,’ roep ik.

De bazin werpt  me een vuile blik toe: ‘Laat dat rotjong van jou beter uitkijken.’

‘Houd dat beest binnenboord, trut,’ schreeuw ik.

‘We vertrekken,’ klinkt het door de luidspreker. Woedend loop ik door.

De andere passagiers zwijgen.

‘Ach gossiepossie,  Fifi, heb je zo’n pijn. Trapte die stoute jongen op je?’

kweelt Bazin.

Mijn zoon huilt. ‘Mama, ik kon er niets aan doen, ik dacht dat het een kleedje was.’


BEGRAVEN


‘Mama, Cavia wil niet met me spelen.’

‘Misschien slaapt hij.’

‘Maar zijn buik gaat niet op en neer.’

Ik loop naar de kooi en zie het meteen.

‘Paul, kom eens bij me zitten. Ik moet je iets vertellen: Cavia is dood.’

‘Net als die mug vorige week?’

‘Ja.’

‘Heb jij Cavia ook doodgeslagen, hij was toch lief?’

‘Nee, natuurlijk niet, jongen.’ 

‘Kan de dokter hem weer beter maken?’

‘Dat kan helaas niet.’

‘Moet hij nu onder de grond net als opa ?’

‘We begraven hem straks samen.’

‘Mag hij naast opa liggen, dan is hij meer niet zo alleen.’


@Nel Goudriaan