Op deze pagina staan korte verhalen eaarvan ik sommige op Sweek plaatste.

De verhalen tellen ten hoogste 250 woorden.

 

 

Pantoffeltijd

Kwart voor zes: de tomatensoep pruttelt, de aardappelen en sperziebonen garen. Het aanrecht is een ravage van schillen en ongewassen vaatwerk. De baby huilt. De poes miauwt om eten.

 

Tien voor zes: Michelle struikelt over een rammelaar. Het zweet breekt haar uit. Nog tien minuten. Vijf voor zes: Michelle dekt de tafel en plaatst een paar pantoffels van bruin ribfluweel onder zijn stoel.

 

Zes uur: het slot van de voordeur klikt. De man van Michelle komt binnen. Hij zet zijn aktetas op de bank en gaat middenin de kamer staan. Hij kijkt om zich heen, zijn lippen stijf opeen geklemd.

De baby krijst hartverscheurend.

‘Breng dat kind naar bed,’ zegt hij. Michelle reageert niet.

Hij schopt de pantoffels weg in een hoek van de kamer.

 

Twee over zes: Michelle gaat naar de keuken. Ze pakt de pan met tomatensoep. Ze gaat terug naar de kamer en giet de pan zorgvuldig leeg in de pantoffels. De poes springt uit haar mand en begint van de soep te lebberen. Ze spint.

De baby kraait van plezier.

 

Vijf over zes: Michelle doet de baby in bad, nadat ze de temperatuur zorgvuldig heeft getest met haar elleboog.

 

Zeven over zes: de voordeur slaat dicht. Michelle tilt de baby uit het bad en loopt met hem in haar armen naar beneden. Op de bank ligt nog de aktetas van de man van Michelle. De poes snort in haar mand. Alle tomatensoep is uit de pantoffels gelikt.

Fietstocht

‘Blijf nederig,’ galmt de dominee, ‘verhef je niet boven anderen, zoals Absalom.’

Anna huivert. Het beeld van de zoon van koning David die met zijn haren in de boomtakken hangt, kerft zich in haar netvlies. Ze kijkt opzij. Haar vijf zusjes zitten er onbewogen bij, hun haren weggestopt onder beige hoedjes. Vader mompelt ‘amen’, moeder pakt een zakdoek uit haar zwarte handtas. Anna zou willen wegrennen uit deze bedompte ruimte, maar dat is ondenkbaar.

 

Het orgel dreunt. Een laatste lied, ‘Wie zich hovaardig heffen, die zal God wederstaan’, en dan mogen ze naar buiten.

‘Rustig lopen, niet rennen,’ zegt moeder in het gangpad.

Buiten schijnt de zon. Ze zijn allemaal op z’n zondags gekleed. Moeder draagt haar nette jurk, zwart met een gesteven kraagje. Vader draagt zijn zwarte streepjespak, glimmende plekken bij de ellenbogen. De meisjes zijn allen gekleed in dezelfde halflange bloemetjesrok.

Anna’s zwarte kousen kriebelen. Het liefst zou zij ze uitdoen, maar mama zegt altijd ‘Jij moet het goede voorbeeld geven. Je bent tenslotte de oudste’.

Deze week mocht ze voor het eerst helpen met strijken. ‘Dertien jaar ben je nu, groot genoeg om te helpen.’

 

De hoedjes gaan in de fietstassen. Ze zoeven de heuvel af op weg naar huis, Anna voorop. De wind aait haar gezicht. Heerlijk in de vrije buitenlucht. In een opwelling gaat ze op de trappers staan en roept ‘Joehoe!’ Haar vlechten wapperen tegen de laaghangende takken boven het fietspad.

Achter haar klinkt de stem van vader: ‘Anna! Denk aan Absalom, mijn kind!’

 

Spiegelpaleis

‘Al je wensen heb ik vervuld, mijn prinses.’Ze zag zichzelf weerkaatst in vele spiegels. Het goud blonk haar tegemoet. Haar ogen kneep ze tot spleetjes en ze droomde weg in een zee van licht.Hij opende de slaapkamer met het immense hemelbed. Op het bed lag een sprei van korenblauw velours. Behoedzaam legde hij haar op het bed en bedreef de liefde met haar onder de satijnen lakens.‘Nu laat ik je even alleen,’ fluisterde hij. Jij mag doen wat je wilt, het hele paleis is voor jou.’

 

Ze dwaalde rond, verkende de ene kamer na de andere. Er was zelfs een bibliotheek met duizenden boeken.Hij stond achter haar. ‘De wereld ligt aan je voeten. Ik heb ze overal vandaan gehaald, ik kocht zeldzame exemplaren.’Vanuit de keuken stegen heerlijke geuren op van kruiden en vers wildgebraad.6‘Bestel wat je wilt, mijn koks zullen het voor je klaarmaken.’Zelfs in het toilet hingen grote spiegels. Ze bekeek zichzelf: een frêle vrouw met lange blonde haren. Oorspronkelijk waren ze bruin, maar hij wilde graag dat zij ze verfde. Ook kocht hij blauwgekleurde lenzen voor haar. Deze pasten beter bij haar nieuwe haarkleur.

 

Ze liep door de eindeloze gangen van het paleis. Steeds beter leerde ze de weg kennen. Toch knaagde aan haar een vreemd gevoel van gemis. Ze verlangde naar frisse buitenlucht, zocht naar deuren en ramen, maar tevergeefs.

‘Wat is er prinses?’ vroeg hij haar.

‘Waar is de uitgang?’

‘Die is niet nodig, liefste. Binnen is alles.’

Schoon Schip

Ik prop de vuilniszak vol met kleding en gooit hem met een zwaai in de container. Dat is één, er zullen er vele volgen. Zij houdt van merkkleding, liefst zo duur mogelijk. Natuurlijk zou ik haar designjurken kunnen verkopen, maar dat doe ik niet. Mensen zullen me voor gek verklaren; van haar wil ik geen euro, geen cent. Hoppa, daar gaat weer een zak. Wat een opluchting. Als ze straks thuis komt, is de container opgehaald, dat heb ik zo geregeld. Pas morgenochtend zal ze merken dat haar kasten leeg zijn. Geen glamour, geen glans, maar zij zal naakt voor de spiegel staan als de keizerin zonder kleren. Eindelijk zal ze haar ware aard tonen. Niet aan mij, ik heb de deur achter me dichtgetrokken en laat haar achter in haar lege fantasiewereld.

 

En ik? Ik stap in alle vroegte de deur uit en loop naar het water. Ik zal zien hoe de hemel rood kleurt, hoe libellen en waterjuffers dansen. Luisteren hoe kikkers hun lied kwaken, ik zal wachten tot de morgendauw oplost in de warmte van de zon. Ik zal deinen in de witte roeiboot, zonder doel. Er bestaat geen tijd, er is alleen maar ruimte, eindeloze ruimte. Ik gooi mijn mobiele telefoon overboord en zie hoe deze naar de bodem zakt. Mijn lijf tintelt, de warmte van de zon koestert me. In de verte loeit een koe, ik loei terug.

 

Winnaar publieksprijs Sweek bij thema #MicroBoot

Zeilboot in fles

‘Niet in huis voetballen,’ roept moeder. Lowie doet alsof hij haar niet hoort en trapt de bal nog eens keihard tegen de muur.Op de achtergrond hoort hij zijn babybroertje krijsen.

‘Ophouden, nú, schreeuwt ze.

‘Stom wijf, altijd dat gezeur aan mijn kop.’

Nogmaals geeft hij de bal een trap, maar nu klinkt gerinkel van glas.

Op de stenen ondergrond liggen duizenden splinters, stukjes hout en lapjes stof.

De baby huilt onophoudelijk.

 

Lowie kijkt naar de ravage: vorig jaar bouwde zijn vader met eindeloos geduld een zeilboot in een fles. Zorgvuldig plakte hij de houten onderdelen op elkaar en vouwde hij de zeilen. Met een prikker duwde hij voorzichtig het bootje door de hals van de fles en plakte hij het op een ondergrond van blauwe klei. Met een touwtje trok hij aan de zeilen en de boot was klaar.‘Hij is voor jou, zei hij. Wees er zuinig op.’

 

Lowie loopt naar zijn kamer, gaat in bed liggen en trekt een deken over zijn hoofd. In het donker hoort hij zijn moeder aankomen. Haar hakken knarsen op het glas. ‘Waar zit je?’ Haar stem klinkt schril. Hij blijft doodstil liggen onder de deken en hoort hoe haar stem overgaat in huilen.

‘Kom tevoorschijn,’ zegt ze.

Het gehuil van de baby zwelt aan.

‘Laat mij maar liggen hier. Het was het laatste dat hij voor me maakte. Alles is kapot nu.’

Dan voelt hij haar hand op zijn hoofd.

‘Mis jij hem ook zo, jongen?’

De baby is eindelijk stil.

Zijn handen

Zijn handen Het eerste wat me opviel waren zijn handen. Groot, geaderd, rood, alsof hij ze had gereinigd met een schuursponsje. Zijn ogen waren helderblauw en ze keken me indringend aan.

‘Waarom viel je keus op mij?’ vroeg ik.

‘Omdat jij het bent,’ antwoordde hij.

Hij koos voor krabbetjes met patat, ik bestelde zalm met veldsla.

‘Hoe oud ben je?’ vroeg ik hem.

‘Eenendertig.’

Dat is vijftien jaar jonger dan ik, berekende ik snel.

‘Leeftijd speelt geen rol voor mij,’ zei hij, alsof hij mijn gedachten raadde. Hij at snel en gulzig. Als een roofdier scheidde hij het vlees van de botten.

Ik liet de zalm met dillesaus over mijn tong glijden.

‘Lekker hè,’ lachte hij, terwijl het vet van zijn kin droop.

Weer bekeek ik zijn handen: nu pas vielen me de rode verfvlekken op.

‘Ik ben kunstschilder. Als je zin hebt, mag je straks met me mee naar mijn loods. Mijn werken zijn te groot voor een flat.’Alles aan deze man is te groot en te veel voor me, dacht ik. Waarom was ik in hemelsnaam akkoord gegaan hem te ontmoeten?

 

Hij stond op en als vanzelfsprekend liep ik met hem mee. Zijn rechterarm sloeg hij om me heen. Zijn hand raakte heel even mijn borst.

‘Kom binnen,’ sprak hij uitnodigend, terwijl hij de loodsdeur voor me openhield.

Ik stond oog in oog met levensgrote naaktschilderijen.

Het rook naar verf, maar er hing ook een vreemde geur die ik niet kon omschrijven.

‘Kleed je maar uit, je bent perfect.’

Graankorrel

Een kerkhof op een koude, natte dag in maart. Een kleine groep mensen, kleumend bij een open graf en de stem van de voorganger:

 

‘Ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.’

 

Troostend wijst hij op de eeuwige kringloop van alles wat leeft, groeit en bloeit. De gesproken woorden dringen nauwelijks door tot de kersverse weduwnaar. Graan en vruchten, dat is mooi. Maar wie zal zijn boterham smeren, wie zal voortaan zijn sinaasappel pellen nu zijn lieve Annie er niet meer is? Wie wast zijn sokken en poetst zijn schoenen? Wie zal zijn koude bed verwarmen?

 

“Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.”

 

Hij ziet zijn Annie voor zich, zwaaiend met haar stofdoek, die hij zo verfoeide, toen ze nog leefde. Vanaf nu dwarrelt het stof voor eeuwig neer.

Hij werpt een rode roos op de kist.

‘Dag meisje van me. Wacht op me.’

De stoet keert terug naar de ruimte waar de koffie met cake al klaar staat. De cake is klef, anders dan de knapperige cake die Annie bakte.

 

Weer thuis zet hij de deur naar de tuin open, loopt door de zompige klei en snijdt een tak van de forsythia. De zwarte aarde kleeft op het witte kleed. Noot meer haar stem: ‘Doe je schoenen binnen uit.’

Het meisje op de rots

Ik zag haar op een zaterdag in mei. Ze droeg een rode jas en had een capuchon over haar hoofd getrokken. De golven droegen schuimkoppen en sloegen tegen de rots waarop ze zat. De regen striemde in haar gezicht. Zouden anderen haar ook zien?

Ik begon te wennen aan haar aanwezigheid. Elke avond als de schemer intrad, ging ze weg om de volgende morgen terug te keren.

Het werd zomer, herfst, winter en nog steeds zat ze er.

 

Op een lentemorgen was haar plek plotseling leeg. Mijn blik werd getrokken naar het water en ik zag in de verte een boot. Er wapperde iets roods. Zou ze ...?

Plotseling zag ik haar in een close-up. Haar helderblauwe ogen keken me aan en haar mond bewoog. Ik kon haar verstaan: ‘Vertel aan niemand dat je me hebt gezien.’

Ik liep een stukje de zee in, maar kwam niet dichterbij. Het leek alsof de boot steeds verder weg dreef. Ik keek tot ze verdween achter de horizon.

 

De wanden van de rots waren steil en puntig. Met moeite klom ik omhoog; af en toe dreigde ik te vallen. Toen ik de top bereikte, zag ik mensen als stipjes op het strand. Niemand sloeg acht op me. Het werd donker. Ik voelde een hand op mijn schouder en een vertrouwde mannenstem zei: ‘Kom mee naar huis. Ik heb taart gekocht: vandaag zou ze tien jaar zijn geworden.’

De weerspiegeling van de avondzon kleurde de zee rood.

Ongeopend

Op de zolder na is het huis van mijn grootouders leeg. Er staan vele dozen en koffers. Herinneringen liggen verscholen onder het spinrag. Ik raap mijn moed bij elkaar en begin met opruimen. Als ik een doos open, zie ik een brief met daarop de naam van mijn opa: Het handschrift van mijn oma herken ik direct. De brief is ongeopend, de postzegel is ongestempeld. Ik aarzel: mag ik deze brief wel openen? Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn schroom.

Het is maar een korte brief, maar de inhoud schokt me:

 

Beste Jan,

Onze relatie is geworden tot een lege dop. Binnenkort vertrek ik naar mijn geboorteland Indonesië. Het spijt me, maar deze eenzaamheid verdraag ik niet langer.

Het ga je goed verder.

Frederique

 

Was dit mijn oma, die ik ken als een lieve, zachtaardige vrouw, die alleen aan anderen dacht en nooit iets voor zichzelf vroeg?Heb ik haar ooit gevraagd: ‘Hoe gaat het eigenlijk met u?’

Ik zie in gedachten mijn opa: nors en in zichzelf gekeerd. Hij sprak zelden zinnen van meer dan twee lettergrepen.

Verdriet overvalt me, als ik denk aan die twee mensen. Hoe zou hun leven zijn verlopen als mijn oma de brief wel had verstuurd ?Hoe zou ze eruitzien zonder die onbestemde blik vol heimwee en verlangen in haar ogen?

Rosa

Tevreden kijkt hij naar de zachtroze muren, de nieuwe meubels en het ledikant. Hij streelt over het rode lingeriesetje, cupmaat 70C. Hij werpt nog een blik op de nieuwe sloten, gaat achter zijn laptop zitten en typt:

-Wat ben je mooi, Rosa, ik kan niet wachten je te zien.

- Ik ben bang dat ik tegenval in het echt. Jij bent zelf zo knap.

-Natuurlijk niet. Trek je T-shirt en BH nog eens uit. Goed in de camera kijken. Je hebt de mooiste borsten van de wereld.

-Vanmiddag zien we elkaar eindelijk. Ik kan niet wachten.

-Ik ook niet, maar ik vind het toch wel heel spannend.

 

Hij kijkt naar zijn profielfoto en moet haar gelijk geven. Perfecte foto, hij zag er fantastisch uit op zijn zestiende. Sinds zijn dertigste loopt hij met een boog om de spiegel heen. Deze date moet lukken. Alle vorige meisjes liepen luid gillend weg. Onbegrijpelijk. Ze weten niet wat ze missen: hij zal ze een leven bieden als een prinses.

Rosa is anders, veel liever. Zij zal zich door zijn uiterlijk niet laten afschrikken. Zeker niet, als hij haar ophaalt in zijn donkerblauwe Audi.

 

Hij start de auto en zoeft weg. Vanuit de verte ziet hij haar frêle gestalte, maar wie staat er nu naast haar?