Het meisje op de rots

Op een zonnige zaterdag in mei zit ze er opeens: haar rode jas wappert in de wind; ze draagt een capuchon over haar hoofd. Ik vraag me af waar ze zo plotseling vandaan komt. De mensen om me heen lijken haar niet op te merken: kinderen spelen gewoon door met hun schepjes en emmers, strandwandelaars met honden vervolgen hun weg. Een moeder schenkt limonade in voor haar kinderen. Ik kijk naar het meisje op de rots: waar komt ze vandaan? Waarom zit ze daar? Ik heb het gevoel dat ze haar blikken speciaal op mij gericht houdt. Als ik laat in de middag naar huis ga, zit ze er nog steeds. Onderweg fantaseer ik over haar: ik bedenk hoe ze die morgen voor de spiegel stond en haar rode jas aandeed; hoe ze huppelend naar de rots ging. Zou ze zich bezeerd hebben aan de uitstekende punten? Hoe blij was ze toen ze de top bereikte en het hele strand kon overzien als een wachter op de muur van een stad. Tussen al die mensen ziet ze mij in mijn hemelsblauwe bikini

 

De volgende morgen vertrek ik weer naar het strand; vanuit de verte zie ik haar al zitten. Zou ze niet naar huis zijn gegaan vannacht? Langzaam loopt het strand vol; er lijkt niets veranderd door haar aanwezigheid. Ik trek de stoute schoenen aan en vraag aan mijn buurvrouw op het strand: ‘Zien jullie dat meisje zitten op de rots met haar rode jas?’

Ze kijkt me bevreemd aan: ‘Wat bedoel je? Ik zie niemand; houd je me voor de gek?’

 ‘Kijk alsjeblieft goed: ze zit er echt.’ 

‘Verkoop je onzin maar aan anderen. Je ziet spoken.’

Ik kijk weer naar de rots en zie slechts een een massief stuk grijs gesteente. ‘Excuses, ze is verdwenen. Ik dacht dat ik iemand zag zitten daar.’ Ik voel me, vreemd genoeg, verdrietig nu ik haar niet meer zie. Uit mijn tas pak ik een boek en ik dwing me ertoe mijn gedachten te verzetten door te gaan lezen. De zon streelt mijn huid en mijn oogleden worden zwaar.

Als ik ontwaak, staat de zon hoog aan de hemel en brandt ze op mijn rug. Naast me zijn inmiddels andere mensen neergestreken. Ik kijk naar de rots en zie haar weer. Opgelucht haal ik adem; ik dacht even dat ik leed aan hallucinaties. Ik besluit voorzichtiger te zijn met andere mensen erbij te betrekken en af te wachten tot ze aan mij vragen of ik haar zie.

 

Weken gaan voorbij; ik begin te wennen aan haar aanwezigheid. Of het nu regent, stormt of de zon schijnt: ze is er altijd. Niemand rept met een woord over haar en toch weet ik, voel ik dat ik niet de enige ben die haar ziet. Het lijkt wel alsof degenen die haar zien, besluiten om over haar te zwijgen. Zouden zij ook voelen dat ze alleen naar hen kijkt? Nooit zal ik het te weten komen.

 

Vandaag, de eerste zaterdag in juni, word ik wakker met een onbestemd gevoel. Mijn dagelijkse ontbijt sla ik over en ik ga direct richting het strand. Tot mijn grote opluchting zie ik dat het meisje er nog zit. Het is windstil en plotseling beweegt haar arm. Zwaait ze nu naar mij? Ik zwaai terug en blijf gebiologeerd naar haar kijken. Nu zwaait ze ook met haar andere arm. Het lijkt alsof ik door een vergrootglas kijk, want de contouren van haar gezicht worden steeds duidelijker. Op een gegeven moment kan ik zelfs de kleur van haar ogen zien: zachtblauw met een zilveren glans. ‘Je hebt het goed gezien. Ik waak over jou elke dag en ook ‘s nachts als je slaapt. Zwijg over mij, want als je over me spreekt, kan ik er niet langer voor je zijn. Een keer ben ik al voor een korte tijd vertrokken; een tweede keer kom ik niet meer terug.’

Ik wil antwoorden, maar kan haar slechts vanuit de verte waarnemen. Mijn hart klopt wild en ik kijk om me heen naar de andere strandgangers. Uit niets blijkt dat ze ook maar iets meegekregen hebben van mijn ontmoeting met haar. Ik kan hier niet langer blijven en ga terug naar huis.

 

Die avond aan tafel vraagt mijn man mij: ‘Is er iets bijzonders met jou aan de hand?’

 ‘Hoe bedoel je?’ ‘Je bent steeds vaker in gedachten afwezig; je geeft soms vreemde antwoorden op mijn vragen. Voortdurend verdwijn je naar het strand, soms zonder iets te zeggen.’ ‘Nee hoor, er is echt niets. Ik geniet van de zee en de golven en ik voel me prima. Maak je echt maar niet ongerust. Ik heb veel behoefte aan vrijheid na alles wat er gebeurd is en ik word heel zenuwachtig als ik het gevoel heb voortdurend gecontroleerd te worden. Vertrouw me alsjeblieft!’ ‘Lief, als jij gelukkig bent, ben ik het ook. Kom bij me als je me nodig hebt. Ik heb vertrouwen in je, maar soms is dat even moeilijk voor me.’

 

Het meisje op de rots maakt deel uit van mijn dagelijks leven. Het is inmiddels een paar maanden verder. Elke dag maak ik lange strandwandelingen en zwaai naar het meisje. Haar gezicht heb ik na die ene keer nooit meer van dichtbij gezien. Of het nu regent, stormt of hagelt: altijd zit ze op haar post en kijkt uit over zee en strand. Ik weet dat ze naar mij kijkt en al mijn stappen volgt.

 

Vandaag schijnt de zon uitbundig en zo vrolijk heb ik me sinds lang niet meer gevoeld. Gevoelens van blijdschap heb ik jaren geleden voorgoed begraven samen met mijn kind. Vandaag zou ze tien jaar geworden zijn, als niet ...

Opeens voel ik dat iemand mijn hand vastpakt. Ik kijk opzij en zie dat zij het is. Haar gezicht is diep weggestopt onder de rode capuchon. Ik kan geen woord uitbrengen en loop met haar mee. Dan staat ze stil en terwijl ze mijn hand vasthoudt, verandert het blauw van de hemel in oranje; de kleur van het zand wordt paars met daarop talloze schelpen in alle kleuren van de regenboog. Alle mensen die zich op het strand bevinden, kleuren stralend wit. Ik knipper met mijn ogen, zo overweldigend is het schouwspel dat zich aan mijn ogen voltrekt. Ik loop niet langer, maar mijn voeten dragen me dansend richting de golven. Verbeeld ik het me of hoor ik nu echt de golven zingen? Mijn vrolijkheid verandert in een intens gevoel van geluk. En heel even is mijn kleine meisje me zeer nabij …

Dan de stilte, alle kleuren worden weer zoals ze waren en mijn hand voelt leeg. Het strand lijkt verlaten en het begint te schemeren. Ben ik zo lang weggeweest? Ik ren naar huis en zie in het voorbijgaan weer haar rode gestalte op de rots.

 

Mijn man heeft, zoals elk jaar, een taart gekocht met kaarsjes die we samen uitblazen. ‘Ik vertrouwde erop dat je terug zou komen en daar ben je dan.’

Zwijgen kan ik niet langer en ik vertel hem alles wat me is overkomen. Zijn ongeruste blik verraadt zijn angst. ‘Wees niet bang. Zij zal me voor altijd beschermen; ze zal me nooit verlaten. Dat beloofde ze.’ ‘Lief, ik kan jouw geluk bijna voelen in mijn eigen lijf, maar toch …’ ‘Nee, begin niet weer over een psychiater. Die tijd is voorbij.’

We zitten en we zwijgen tot de zon ondergaat.

 

Ik loop weer naar het strand. Haar afwezigheid is het eerste dat me opvalt. Ze heeft me gewaarschuwd, maar ik sloeg haar raad in de wind en verbrak de ban. Ik weet niet of ik zonder haar kan. Wie zal mij beschermen en over me waken voortaan?

Een koude rilling gaat door me heen, mijn voeten brengen mij als vanzelf in de richting de rots. Ik kan geen weerstand bieden aan de drang naar boven te gaan. Haar zal ik daar niet aantreffen, maar ik kan wel met eigen ogen haar uitzicht ervaren. Ik klauter over puntige uitsteeksels naar boven; hoor hoe de golven tegen de rots slaan. Eenmaal boven aangekomen, zie ik kleine gekleurde stipjes op het strand. Zoekend kijk ik rond of ik haar zie in haar hemelsblauwe bikini. Mijn rode jas wappert in de wind. Ik ontwaar haar niet in de menigte. Zou ze me niet meer nodig hebben?

 

Luide stemmen op het strand, wijzende handen. Dan armen om me heen en een vertrouwde stem: ‘Het is goed lief. Jij bent sterk, ik heb het volste vertrouwen erin dat je het zonder haar kunt. Zij weet dat ook en daarom is ze heengegaan. Nu kun je haar loslaten en verdergaan.’

Ik richt me op en loop voorzichtig met hem mee en voel me een baby die zijn eerste stapjes zet. Heel wankel nog, me vastklampend aan alles wat me kan beschermen. Ooit loop ik weer met vaste tred. Nog eenmaal kijk ik naar de rots die fier in de branding staat.

 

@Nel Goudriaan

Loslaten

Het hoofd van de schrijver was leeg, de laatste woorden en letters dwarrelden op de grond. Een schone lei, een nieuw begin, dacht hij. Tegelijkertijd bekroop hem de gedachte: hoe vaak zijn deze woorden al niet gebruikt? Kon hij geen originelere beelden verzinnen? Hij begon te schrijven: ‘de eerste voetstappen in verse sneeuw, een nieuwe morgen die toelacht, de eerste blaadjes in de lente, de eerste regendruppels na een lange periode van droogte ...

Hij gaf het op, smeet de woorden en zinnen weg en liep naar het strand.

 

Het was nog stil, slechts enkele wandelaars met honden liepen langs. Meeuwen krijsten, de golven lieten schuimkloppen zien. Hij pakte een stok en begon in het zand te schrijven: geen bestaande letters, maar zomaar allerlei lussen en strepen. Hij maakte verbindingen tussen lijnen en vulde ronde vormen op met zand. Daarna ging hij zitten en bekeek wat hij gecomponeerd had.

 

Hij vond tussen alle nieuwe letters en vormen een woord dat hij al kende: LOS. Dit wordt mijn nieuwe start, dacht hij en schreef het woord heel groot op een leeg stuk zand. Hij staarde ernaar en liet van alles bovenkomen: ‘losse eindjes, als los zand aan elkaar hangen, losmaken, losse letters, total loss, de beer is los, er zit een steekje los, loskomen van, verlossing, verlost’ De woorden bleven maar stromen. Hij nam zijn opschrijfboekje en zijn pen en schreef ze allemaal op. In een strandtent bestelde hij een kop koffie en luisterde naar de gesprekken om hem heen. Flarden drongen tot hem door en ook deze woorden bewaarde hij.

 

   ‘Het is allemaal eenrichtingsverkeer geworden,’ zei de vrouw aan het tafeltje naast hem.

   ‘Tijd om je van hem los te maken,’ zei haar tafelgenoot.

Een mooi begin voor een nieuw verhaal, dacht hij.

Hij kwam thuis en bekeek zijn woning alsof hij een buitenstaander was: de zon toonde ongenadig grote lagen stof en vuil. Alle deuren opende hij en liet de wind door het huis blazen: wolken stof waaiden op en verdwenen naar buiten. Hij liep naar zijn schrijftafel en veegde alle papieren bij elkaar en gooide ze in de prullenmand en begon een nieuw verhaal:

 

   'Het is allemaal eenrichtingsverkeer geworden,’ zei ze tegen mij, ‘ik kan geen kant meer op met mijn auto.’

Ik keek haar aan en zag haar wanhoop. ‘Waarom blijf je dan steeds maar op dezelfde plek?’

\ Waar kan ik anders heen? De tegenovergestelde richting is verboden.'

Even dreigde de schrijver in zijn eigen verhaal vast te lopen, want die vrouw had natuurlijk gelijk: ze had geen keus. Alles was voor haar bepaald. Maar als schrijver kan hij het lot toch een andere wending geven? Hij was vrij en kon zich losmaken van de bestaande kaders. Hij schreef verder: ‘U kunt overal heen. U bent vrij om te gaan en te staan waar u wilt. Stap uit de auto en loop verder. Vooraf een voetganger geldt de regel van eenrichtingsverkeer niet, die mag u zelf bepalen.’

   ‘Maar al mijn koffers liggen nog in de auto. Hoe moet ik mijn bagage nu vervoeren?’

   ‘Als u nu eens alles achterliet?

Ze keek me aan vol droefheid. ‘Hoe kan ik alles wat ik heb opgebouwd prijsgeven?’

‘Dat is een keuze.’

Hij legde zijn pen neer. Moest hij als schrijver nu zo nodig gaan moraliseren, de goeroe uithangen? Waarom niet alleen maar verhalen vertellen? Zijn gedachten gingen weer naar het strand en de tekens die hij op hert zand schreef zonder een speciaal doel. Zijn stok bepaalde de richting. Hij vond een woord dat hij al kende, een woord met ongekende mogelijkheden. Tenminste: dat dacht hij Moet hij alles loslaten en weer van voren af aan beginnen?

 

@Nel Goudriaan 15 januari 2019

 

Versie 2:

Loslaten

 

Het hoofd van de schrijver is leeg, de laatste woorden en letters dwarrelen op de grond. Een schone lei, een nieuw begin, denkt hij. Tegelijkertijd bekruipt hem de gedachte: hoe vaak zijn deze woorden al gebruikt? Kan hij geen originelere beelden verzinnen?

Hij begint te schrijven: ‘de eerste voetstappen in verse sneeuw, een nieuwe morgen die toelacht, de eerste blaadjes in de lente, de eerste regendruppels na een lange periode van droogte ...’

Hij geeft het op, smijt de woorden en zinnen weg en loopt naar het strand. Het is nog stil, slechts enkele wandelaars met honden lopen langs. Meeuwen krijsen, de golven laten schuimkloppen zien. Hij pakt een stok en begint in het zand te schrijven: geen bestaande letters, maar zomaar allerlei lussen en strepen. Hij maakt verbindingen tussen lijnen en vult ronde vormen op met zand. Daarna gaat hij zitten en bekijkt wat hij gecomponeerd heeft. Tussen alle nieuwe letters en vormen ontdekt hij een woord dat hij al kent: LOS.

Dit wordt mijn nieuwe start, besluit hij en schrijft het woord heel groot op een leeg stuk zand. Hij staart ernaar en laat van alles bovenkomen: ‘losse eindjes, als los zand aan elkaar hangen, losmaken, losse letters, total loss, de beer is los, er zit een steekje los, loskomen van, verlossing, verlost’

De woorden blijven maar stromen. Hij neemt zijn opschrijfboekje en zijn pen en schrijft ze allemaal op. In een strandtent bestelt hij een kop koffie en luistert naar de gesprekken om hem heen.

 

Flarden dringen tot hem door en ook deze woorden bewaart hij.

   ‘Het is allemaal eenrichtingsverkeer geworden,’ zegt de vrouw aan het tafeltje naast hem.

   ‘Tijd om je van hem los te maken,’ antwoordt haar tafelgenoot.

Een mooi begin voor een nieuw verhaal .Hij komt thuis en bekijkt zijn woning alsof hij een buitenstaander is: de zon toont ongenadig grote lagen stof en vuil. Alle3 deuren deuren en laat de wind door het huis blazen: wolken stof waaien op en verdwijnen naar buiten.

Hij loopt naar zijn schrijftafel, veegt alle papieren bij elkaar en gooit ze in de prullenmand. Een nieuw verhaal begint:

‘Het is allemaal eenrichtingsverkeer geworden,’ zegt ze tegen mij, ‘ik kan geen kant meer op met mijn auto.’

Ik kijk haar aan en zie haar wanhoop. ‘Waarom blijf je dan steeds maar op dezelfde plek?’

‘Waar kan ik anders heen? De tegenovergestelde richting is verboden.’

 

Even dreigt hij in zijn eigen verhaal vast te lopen, want die vrouw heeft natuurlijk gelijk: ze heeft geen keus. Alles is voor haar bepaald. Maar als schrijver kan hij het lot toch een andere wending geven? Hij is vrij en kan zich losmaken van de bestaande kaders. Hij schrijft verder:

   ‘U kunt overal heen. U bent vrij om te gaan en te staan waar u wilt. Stap uit de auto en loop verder. Vooraf een voetganger geldt de regel van eenrichtingsverkeer niet.’

   ‘Maar mijn koffers liggen nog in de auto. Hoe moet ik mijn bagage nu vervoeren?’‘Als u nu eens alles achterliet?”

Ze kijkt me aan vol droefheid. ‘Hoe kan ik alles wat ik heb opgebouwd prijsgeven?’

‘Dat is een keuze.’

Hij legt zijn pen neer. Moet hij als schrijver moraliseren, de goeroe uithangen? Waarom niet alleen maar verhalen vertellen? Zijn gedachten gaan weer naar het strand en de tekens die hij op hert zand schreef zonder een speciaal doel. Zijn stok bepaalde de richting. Hij vond een woord dat hij al kende, een woord met ongekende mogelijkheden. Tenminste: dat dacht hij Moet hij alles loslaten en weer van voren af aan beginnen?

 

@Nel Goudriaan 15 januari 2019

Herfstdraden

 Het is stil herfstweer als ik mijn geboortedorp binnenrijd. Het zonlicht schijnt door de bomen en laat de bladeren schitteren in oranje, gele en rode tinten. Het dorp bestaat uit één lange straat, die in het midden wordt gescheiden door een kruispunt. Aan de westzijde loopt een lange vaart. De oostzijde bestaat uit weilanden, landhuizen en bossen.

Mijn auto zet ik aan de kant en te voet ga ik verder. De koeien staan nog buiten in dit jaargetijde.

  De gordijnen van het huis van mijn ouders zijn dicht. Toen zij er nog woonden, stonden ze altijd open. De dag waarop we het huis leeghaalden, stond er een grote container op de stoep. De rest van het meubilair ging naar de Kringloop. Daarna de stilte, het stof, de kale muren met de lichte plekken waar jarenlang dezelfde schilderijen hingen. En het moment waarop we voor de laatste keer de deur afsloten.

  Ik loop verder en houd stil voor de voormalige schilders werkplaats van mijn opa. De verf is afgebladderd, zijn naam is uitgewist. ‘Schilders sinds 1834' staat er nog slechts te lezen. Hier mengde hij zijn verf. Vooral grachtengroen: een mengkleur van Berlijns blauw en chromaatgeel, waarmee hij de deuren en kozijnen verfde van de monumentale landhuizen die gelegen waren aan de rand van het dorp. Soms mocht ik in de schoolvakantie met hem mee. Als hij op de hoge ladder stond, floot of neuriede hij psalmen. 

Ik loop door naar het Zuidereind. Langs de vaart zijn nog de panden te zien van wasserijen. Rijke Amsterdammers lieten er hun was naartoe brengen. Mijn moeder deed elke maandag zelf de was en hing deze buiten op een lijn, gespannen tussen een paar boomstammen. De andere dorpsbewoners deden hetzelfde.

 

  Vandaag is het leeg tussen de bomen. In de verte zie ik een rijtje witte huizen, de enige aan de kant van de waslijnen. De wijk werd Lombok genoemd.  In het middelste huis woonde hij …

Ik denk terug aan de herfst van lang geleden. We zochten beukennootjes en tamme kastanjes in het bos. Met zijn vijven: Gerbrand was er die dag niet bij. Eigenlijk was ik stiekem een beetje blij daarom. Een echte pestkop kon hij soms zijn.

Thuis, aan tafel hoorde ik dat hij ziek was. In de keuken fluisterden mijn ouders. Ik verstond alleen: ‘Hoofdpijn, hele erge hoofdpijn.’ En daarna waren ze extra bezorgd om mij. Waarom, begreep ik later pas.

Er ging een week voorbij. De dag waarop hij stierf, stormde het. De bomen veranderden in kale voorbodes van de winter. In het voorjaar zouden er nieuwe knoppen ontspruiten. Zonder hem. Voor het eerst besefte ik dat het leven eindig was.

 

  Mijn voettocht eindigt op de begraafplaats. Ik zoek naar zijn graf; de steen is verweerd. De steen van het graf van mijn ouders ziet eruit als nieuw.  De bodem van beide graven is bezaaid met dorre bladeren.

Breekpunt

‘Laten we niet meteen naar huis gaan, maar naar ‘ons' restaurant.'

‘Alsof we iets te vieren hebben …’

‘Even rustig praten samen in een andere omgeving. Dat hebben we nu nodig, Marc.'

Hij knikt.

Het is stil in de auto, als we op de snelweg rijden. Ik kijk van opzij naar Marc: hij houdt zijn lippen op elkaar geklemd. Zo zag hij er ook twaalf jaar geleden uit, toen we het ziekenhuis verlieten.

‘We mogen de hoop niet opgeven,' zeg ik meer tegen mezelf dan tegen hem.

Ik sluit mijn ogen en zie de scène weer helemaal langstrekken: de arts die ons nauwelijks durfde aan te kijken, de vraag naar erfelijke ziektes in onze families, maar vooral de blik van Marc, de wanhoop en de angst die eruit spraken.

 ‘De kans op volledige genezing is niet groot, tenzij een direct familielid een nier doneert', sprak de arts.

Marc sloeg beschermend zijn arm om Paul heen.

‘Het komt goed, jongen,' zei hij. ‘Als je beter bent, gaan we weer samen voetballen.'

...

Ik denk aan die andere diagnose: 'De kans dat u samen kinderen zult krijgen is uiterst miniem.'

Een jaar later werd Paul geboren. Marc was uitzinnig van blijdschap. ‘Ik heb het altijd geweten dat ik vader zou worden,' riep hij. Toen hij zag dat bij mij de tranen over de wangen liepen, streelde hij me. ‘Vreugdetranen zijn het. Zie je wel, er gebeuren nog wonderen.'

Ik merk nu pas dat we stilstaan bij een benzinestation. Marc stapt uit om te tanken. Als hij na een tijdje terugkomt, is zijn blik anders. Ik zie een vastberadenheid die ik van hem ken.

‘Alles zal ik voor hem doen: we halen de beste artsen erbij. Ik stel me beschikbaar voor bloedtransfusie en transplantatie van mijn nier. Wie is daar meer geschikt voor dan zijn bloedeigen vader?' 

Ik knik, maar mijn hart gaat als een razende tekeer. Dit moment heb ik altijd al gevreesd.

‘Wat ben je stil,' zegt hij. 

‘Laat me maar even.'

‘Ik wil er helemaal voor je zijn, juist nu.'

...

‘Ook wil ik een second opinion. We moeten vechten, Inge, en niet lijdzaam afwachten.'

‘Straks in het restaurant praten we verder.'

Als we onder andere omstandigheden hier zouden zijn, zou ik genieten van deze prachtige plek: bloeiende kastanjebomen en rododendrons. Nu wens dat de bomen kaal zijn; ook de vogels mogen stoppen met hun uitbundige gezang. 

De ober wijst ons een tafel aan bij het raam. De menukeuze laat ik aan Marc over. Honger heb ik toch niet.

‘Inge, onze Paul is door een wonder geboren. Ook toen was alle hoop de bodem ingeslagen. Zullen we hem alsnog verliezen? Dat geloof ik niet; help me alsjeblieft in deze strijd.' 

 

De ober bezorgt het voorgerecht.

‘Pas op, mevrouw, mijnheer, de soep is zeer heet.'

Ik brand mijn tong, maar dat deert me niet. Nu kan ik nog even zwijgen en de illusie in stand houden. Al die jaren hield ik mijn mond om Marc geen pijn te hoeven doen.

 Ik weet dat ik in één klap zijn leven zal verwoesten, als ik hem de waarheid vertel, maar de ziekte van Paul maakt dat ik geen keus meer heb. Een foute beslissing nam ik om Marc in het ongewisse te laten.

‘Inge, waar ben je met je gedachten?'

‘Ik zie steeds Paul voor me in dat ziekenhuisbed: inwit, maar zijn ogen stonden helder. Vol goede moed is hij, terwijl wij weten …'

‘Wij weten niets, ik vertrouw erop dat hij helemaal herstelt. Alles komt goed.'

De ober zet het hoofdgerecht op tafel: voor mij gemarineerde eend en voor Marc een groot stuk biefstuk.

Ik zie hoe hij - ondanks alles - geniet van de maaltijd. 

 

‘Marc, ik heb je iets te zeggen.'

Hij kijkt me verbaasd aan.

Ik barst los en vertel hem alles wat ik jarenlang verzwegen heb. Steeds maar herhaal ik dat ik alleen van hem gehouden heb en dat hij voor Paul de echte vader is.

Ik zie zijn blik veranderen van ongeloof, verbijstering naar woede. Zijn gezicht wordt grauw; nu is hij degene die zwijgt.

Hij staat plotseling op loopt weg. Ik loop hem achterna en pak hem vast:

‘Marc, natuurlijk ben je kwaad, maar laten we nu aan onze zoon denken. Hij heeft ons nu meer nodig dan ooit. 

‘Ik heb geen zoon meer,’ perst hij eruit terwijl hij opstaat en het restaurant uitloopt.

 

@ Nel Goudriaan juni 2017

De vrouw in het bos

Ik loop met mijn camera door het bos en zie haar vanuit de verte. Ze zit daar helemaal alleen op een bankje bij het water met haar hoofd gebogen. Ze lijkt wel een standbeeld: ik zie geen enkele beweging. Is ze misschien in slaap gevallen?

Langzaam loop ik dichter naar het bankje en zie nu de contouren van haar gezicht. Ik schat haar tussen de dertig en veertig jaar oud. Ze heeft een frêle gezicht, haar lange haren bedekken het voor een deel. Ze draagt rode schoenen met een hoge hak, totaal ongeschikt om mee in een bos te lopen. Ik onderdruk mijn neiging een foto van haar te maken. Door de lens zie ik een surrealistisch beeld, zoals in een schilderij van Hopper.

 

Wat doet deze vrouw hier op dit tijdstip van de dag? Heeft ze geen baan, geen gezin? Zou ze het niet koud hebben: het is een gure herfstdag. Ik verwacht haar eerder shoppend in de binnenstad of in een ruim verlicht kantoor dan hier. Ze is niet gekleed als een vrouw die het gewend is om stil in een bos te zitten. Zou ik haar aanspreken? Iets in mij weerhoudt me daarvan, op een of andere manier jaagt ze me angst aan. Ze straalt een grote afstandelijkheid uit, ze wil duidelijk alleen zijn. Is ze misschien zojuist ontslagen? Nee, dat kan het niet zijn, er is geen enkele emotie zichtbaar op haar gezicht: geen woede, geen wanhoop, niets. Heeft ze zojuist te horen gekregen dat ze ongeneeslijk ziek is en is al haar hoop vervlogen? Dat lijkt me aannemelijker. Maar is er helemaal niemand bij haar die een arm om haar heen kan slaan, juist nu? Het liefst loop ik nu gewoon door en ga verder waar ik mee bezig ben: een serie mooie herfstfoto’s maken, nu het nog kan. Maar dat voelt niet goed. Stel dat ik morgen in de krant lees, dat ...

 

Langzaam beweeg ik me in de richting van de vrouw en blijf vlak voor haar stilstaan. 

‘Mevrouw, gaat het wel met u?’ hoor ik mezelf met een vreemde hoge stem vragen.

Ze slaat haar ogen op en kijkt me aan met een lege blik.

‘Ik maak me ongerust over u, het is veel te koud om zo lang stil te zitten hier.’  

‘Maakt u zich vooral geen zorgen over mij,’ klinkt opeens een zachte stem. ‘Ik zit hier gewoon een beetje te dromen in mijn lunchpauze; straks moet ik weer aan het werk.’

Beschaamd loop ik weg. Mijn fantasie is weer eens op hol geslagen.

 

@Nel Goudriaan 26 november 2017

 

De witte duif

De duif fluisterde in haar oor: ‘Doe het niet.’

De bruidegom, gekleed in een glanzend donkerblauw pak, keek zijn bruid verwachtingsvol aan.

‘Nee,’ antwoordde ze luid.

Toen ze het stadhuis uitrende, zag ze nog net hoe haar moeder de -speciaal voor deze gelegenheid aangeschafte- witte zakdoek voor haar mond hield. Ze had de juiste beslissing genomen, dat voelde ze. Haar trouwjurk sleepte door de modder en kleurde zwart van onderen. Maandenlang waren ze bezig geweest met de voorbereidingen voor de bruiloft: de gastenlijst, de bruidstaart, het diner, de tafelschikking. Alles was tot in de puntjes geregeld, vooral door moeder en schoonmoeder. Ook kochten die twee samen de design meubels voor de nieuwe patiowoning. Ze had af en toe geprotesteerd, maar haar verloofde suste haar: ‘Ach schatje, laat ze toch. Ze bedoelen het goed en het wordt prachtig.

’Slechts één wens van haar werd na protest vervuld: ze mocht haar duif meenemen, haar trouwe metgezel. De kreet ‘zo romantisch, een witte duif’ van haar schoonmoeder gaf de doorslag.

 

De blikken van verbaasde voorbijgangers deerden haar niet. Vanuit de verte hoorde zij haar naam roepen. Omkijken deed ze niet. De witte duif spreidde haar vleugels en vloog de vrijheid tegemoet.

Troostjas

 Het dorp ligt er precies zo bij als twintig jaar geleden. Alsof ik nooit ben weggeweest: de eikenbomen met goudgele bladeren, de lange vaart achter de huizen, mijn ouderlijk huis met de donkerrode gordijnen. De sleutel ligt onder de mat, ik open de deur en ruik scherpe geuren van urine en ontsmettingsmiddelen. Nu ben ik ziek. Kom alsjeblieft naar huis, waren de laatste woorden van de brief die hij me schreef. Woorden die constant door mijn hoofd dreunden en me lieten besluiten naar hem toe te gaan. Mijn vader ligt roerloos in bed. Zijn huid is vaalbleek en zijn wangen zijn ingevallen. Dagenlang waak ik bij hem en vraag me af, of hij weet dat ik naast hem zit. Slechts zijn onregelmatige ademhaling is hoorbaar. Af en toe bevochtig ik zijn droge lippen met een wattenstaafje. De nachten duren eindeloos. Overdag komen er mensen langs om afscheid van hem te nemen. De meesten van hen ken ik niet. Zij kennen mij wel: hun blikken zeggen voldoende. Soms vraagt iemand aan me, waar ik het lef vandaan haal hier te zitten.

‘Hij is mijn vader,’ antwoord ik dan.

‘Dat had je eerder moeten bedenken,’ zeggen ze.

Na hun vertrek voel ik weer de beklemming en de schaamte. Heb ik het recht om hier aanwezig te zijn? Ben ik geen indringer in de intimiteit van zijn laatste kwetsbare uren?

 

Ik houd het niet langer uit in de kamer en loop naar de gang. Aan de kapstok hangt zijn lange beige jas, vol vlekken, Van binnen met bont gevoerd.

De jas is voor jou. Draag hem met liefde ... ‘ schreef hij in zijn brief.

Met mijn handen strijk ik over de ruwe stof en denk aan de dag dat mijn vader terugkwam uit Parijs. Hij woonde daar een congres bij. Ik was een puber van vijftien die zich afvroeg waarom mijn moeder tijdens zijn afwezigheid voortdurend rode ogen had en steeds stiller werd. Hij kwam de kamer binnen en droeg een onbekende lange jas die bijna tot zijn enkels reikte.

‘Wat draag jij nu?’ vroeg mijn moeder. ‘Je lijkt wel een zwerver. Heb je onder een brug geslapen?’ Op haar opmerking reageerde hij niet, hij zweeg slechts. Ik zag hoe zijn ogen zich met tranen vulden. Zijn jas rook naar modder, tabak en oud zweet. Ik probeerde contact met hem te krijgen, maar hij bleef onbeweeglijk staan. Mijn moeder doorbrak de stilte met een vreemde hoge stem:‘Gaan we deze keer zwijgen? Wil je mijn medelijden opwekken? Ga maar terug naar die mooie vriendin van je. Je denkt toch niet dat ik hierin trap?’

‘Ik heb geen ...’

‘Stop met je leugens en verdwijn. Ik heb je al te lang je gang laten gaan.’

Weer zie ik het spierwitte gezicht van mijn vader, een blik die alleen maar hulpeloosheid uitstraalde. Mijn moeder keek triomfantelijk.

Er kwam een blinde woede bij me naar boven; ik pakte mijn moeder bij de schouders en schreeuwde: ‘Heb je nu je zin?’

Ik schudde haar door elkaar. Mijn vader probeerde me te stoppen, maar ik was niet te temmen en sloeg haar. Ze wankelde, viel tegen de punt van een kast ..

.Een schreeuw, daarna een doodse stilte. Sindsdien ben ik niet meer in mijn ouderlijk huis geweest.

 

Hoe lang ik met de jas in mijn handen heb gezeten, weet ik niet meer. Ik keer terug naar mijn vader. Het is stil in de kamer, maar deze stilte is zo intens dat ik er bang van word. Mijn hand leg ik op zijn wang, hij ademt niet meer. Ik was zo dichtbij en toch stief hij in eenzaamheid. Ik bel een arts en wacht op zijn komst. ‘Je vader is overleden,’ constateert hij. Ik strijk zijn ogen met mijn vingers dicht. ‘Pa, het spijt me dat ik niet bij je was in de laatste minuten. Ik houd van je.’ Dan neem ik de jas van de kapstok en ga naar buiten. Het regent, maar dat deert me niet.

 

Hij zocht me nooit op in de internaten waar ik sindsdien verbleef, ook niet toen ik hem schreef dat ik een eigen woonplek gevonden had. Ik heb gehuild, geschreeuwd en hem gesmeekt naar me toe te komen. Antwoorden bleven uit. Tot een week geleden opeens een brief op mijn mat lag met zijn karakteristieke handschrift. Het leek erop dat hij de brief al langer geleden begonnen was. Zijn handschrift wordt steeds onduidelijker en is aan het eind bijna onleesbaar. De inhoud drong nauwelijks tot mij door: een ding wist ik zeker: ik moet naar hem toe. Ik schuil in een portiek en lees de brief opnieuw:

 

Jongen, Vergeef me dat ik je nooit ben komen opzoeken. Na die fatale dag leek het, alsof ik van binnen van steen geworden was. Maandenlang heb ik het huis niet verlaten, zelfs je moeders begrafenis heb ik niet bijgewoond. Familie en buren brachten me eten, maar daar kan ik me nauwelijks iets van herinneren. Nu besef ik dat jij toen voor mij in de bres sprong. Zo ver had ik het nooit mogen laten komen. Ik had je moeder al veel eerder de waarheid moeten vertellen. Jij was nog een kind, een puber en daarmee heb ik geen enkele rekening gehouden. Ik heb jouw leven geruïneerd. Spijt is daarvoor een te klein woord …

 

Mijn vader rept over spijt alsof hij een dader is. Het voelt alsof de grond onder mijn voeten wegzakt. Regelmatig vroegen begeleiders me of ik spijt had van mijn daad, maar ik moest het antwoord schuldig blijven. Alsof een ander, niet ikzelf, de slag had toegebracht. Als ik terugkijk naar mijn leven de laatste jaren, voel ik leegte. Hele dagen zat ik binnen en kwam alleen maar buiten om boodschappen en drank te halen. Mijn vrienden lieten het afweten na de zoveelste keer dat ik ze de toegang tot mijn huis ontzegde. De brief verkreukelt in mijn handen, ik vouw hem recht en lees verder:

 

Je hebt recht op de waarheid. Zodra ik in Parijs aankwam, wisselde ik mijn nette pakken om voor joggingbroeken met oude truien en zocht naar mijn vriend Peter. Hij was dakloos, verslaafd en sliep onder bruggen. Vaak was hij ziek. Meestal was hij te beneveld om me te herkennen, maar soms was er even contact. We sliepen dan samen, dicht tegen elkaar aan, zoals we vroeger tijdens het schoolkamp in de tent sliepen. Soms huilde hij en dan sloeg ik mijn armen om hem heen. Hij was mijn grootste liefde; ik koos niet voor hem, maar voor het veilige leven in een gezin. Ik heb hem verraden, mezelf verraden, maar ook jou en je moeder. Ik bracht de spanningen in ons gezin, kon je moeder niet geven waarop ze recht had. Het kostte haar het leven. Een ongeluk waarvan jij de gevolgen droeg …

 

Dit moet ik hebben aangevoeld die avond toen ik zijn wanhopige blik zag. De blik die mij achtervolgde in mijn dromen, al die jaren lang. Waarom heb ik zelf niet meer moeite gedaan om hem te ontmoeten? Kou trekt op vanuit mijn botten. Ik sla zijn jas als een warme deken om me heen. De jas, die hij voor zijn vriend kocht, de jas die hij aanhad op die fatale avond. Nu gaf hij die jas door aan mij als een betoon van zijn liefde.

 

Het was Peters lievelingsjas; hij woonde erin. Als we samen sliepen, sloeg hij hem open en legde een deel daarvan op mij. Toen ik de laatste keer in Parijs was, lag hij in een ziekenhuis met een zware longontsteking. Onherkenbaar in een bed met witte lakens. Het leek alsof hij op me had gewacht. Over een stoel hing zijn jas. Hij wees ernaar. Daarna sloot hij zijn ogen voorgoed. Van onze liefde bleef alleen de jas over. Ik schenk hem na mijn dood aan jou, mijn zoon. Draag hem met liefde.

 

Langzaam dringt de waarheid tot me door: de eenzaamheid van mijn vader. Nooit heb ik hem gekend, niemand kende hem. Ook mijn moeder niet. Nu is de tijd voorbij om hem nog te leren kennen. Wat rest is deze brief en de jas. Ik ben de enige met wie hij zijn geheim deelde. Tranen stromen over mijn wangen, ik voel verdriet, maar ook opluchting. Alsof er nu pas ruimte vrijkomt om ook aan mijn moeder te denken. Alsof wolken wegtrekken voor de zon. Weer thuis kijk ik met afschuw naar mijn aanrecht vol bierblikjes, pizzadozen en lege flessen. Alles kieper ik in een vuilniszak. De ramen zet ik open. Ik weet niet hoe ik mijn leven moet veranderen, maar zoals het was, kan het niet langer. Dat ben ik aan hem verplicht.

 

Ik trek zijn jas aan, ruik zijn geur. Dan fiets ik naar de plas: de plek waar ik zo vaak heb gezeten als alles me te veel werd. Mijn vader hield van het water. Vroeger gingen we vaak samen vissen. Boven het water schijnt de oktoberzon. Bomen dragen gele en oranje herfsttinten Een fuut zwemt voorbij. Ik zie mezelf in de spiegel van het meer. Voor het eerst van mijn leven ervaar ik een zweem van geluk.

Spiegelbeeld

Spiegelbeeld


Vol afgrijzen bekijkt Karlijn haar bord met bloemkool, aardappelen, vette jus en een gehaktbal.

   ‘Goed eten, kind. Je bent nog in de groei,’ zegt haar moeder.

Voor de vorm prikt ze in de bal, maar als ze ziet hoe bij haar vader het vet langs zijn kin druipt, legt ze haar vork terug.

Haar maag rammelt; ze proeft een stukje bloemkool en telt in gedachten de calorieën. De zorgelijke blikken van haar ouders vermijdt ze. 

   ‘Ik voel me niet zo lekker en ga naar boven.’

 Ze ziet zichzelf in de spiegel en walgt van haar moddervette lichaam. Dan laat ze zich op haar bed vallen. Vanuit de verte hoort ze haar moeder op de deur kloppen, maat ze is niet van plan open te doen.


De volgende morgen is de stemming aan het ontbijt om te snijden. Langzaam zuigt Karlijn op een stukje zure appel.

  ‘Probeer desnoods een halve boterham,' oppert haar moeder.

  ‘Mam, zeur niet, ik heb 's morgens geen honger en houd eens op met dat gezucht.'

 Onderweg naar school  gooit ze de inhoud van haar broodtrommel in de prullenbak: boterhammen met daarop de gehaktbal van de vorige dag in plakjes gesneden. 

Opgelucht fietst ze verder. Ze voelt zich licht in haar hoofd worden en neemt snel een rozijntje.

 Vanuit de verte ziet ze Milan: hij is nog knapper dan in haar dromen. Haar klasgenoten verdringen zich om hem. Karlijn weet het zeker: eens komt de dag dat zijn ogen alleen op háár zijn gericht ...


   ‘Karlijn, kan ik je even spreken?' vraagt haar mentor.

Ze loopt mee naar zijn kamer en gaat zitten.

   ‘Wat is er met je aan de hand? Je resultaten vliegen achteruit de laatste tijd en je ziet er bepaald niet florissant uit.'

   ‘Ik voel me uitstekend. En ja, ik besteed minder tijd aan mijn huiswerk, omdat ik veel sport. Ik ga mijn leven beteren. Echt.'

   ‘Je weet toch dat je altijd bij me terechtkunt.'

 Als ze de klas binnenkomt, ontwijkt ze de priemende blikken van haar klasgenoten. Ze wankelt naar haar plaats. 

   ‘Je kunt haar botten tellen,' fluistert iemand. Er wordt gelachen.

Nu sterk zijn, laat ze maar.

Gelukkig lacht Milan niet mee. Ze probeert tevergeefs zijn blik te vangen.


Zodra de les is afgelopen, verlaat Karlijn als eerste het lokaal. Ze voelt zich duizelig en loopt onvast naar haar fiets. Straks thuis appelchips met kaneel maken. Lekker en slechts weinig calorieën.

Met het laatste restje energie fietst ze naar huis. Eens zal Milan de hare zijn; eerst vijf kilo eraf. Ze drinkt een glas water en gaat op haar bed liggen. Vrijwel onmiddellijk valt ze in slaap. 

Ze wordt wakker van de stem van haar moeder.

   ‘Een strandwandeling zal je goed doen. Loop vanavond gezellig met ons mee.'

Karlijn zucht; ze haat die opgeklopte vrolijkheid.

  ‘Geen zin.'

  ‘Rijd anders mee en loop je eigen route.'

Dat klinkt beter; ze hoeft dan niet met haar ouders te praten.



De zilte zeelucht en de wind om haar oren voelen aangenaam. Licht als een veertje rent ze met blote voeten op het natte strand. Ze kijkt naar de eindeloze zee. Krachtige golven spoelen aan en laten schelpen achter. Ze pakt er één en houdt hem tegen haar oor. 

   ‘Je kunt de zee erin horen ruisen,' zei haar vader vroeger.

Maar ze hoort niets ...

Ze laat zeeschuim door haar handen glijden: zo licht, zo zacht zou ze altijd willen zijn ...


  ‘Zie je wel dat wandelen je goed doet,’ zegt haar moeder opgewekt, als ze naar huis rijden.

Het zacht ronkende geluid van de auto maakt dat haar oogleden zwaar worden. Ze valt in slaap.

Als een film trekken beelden voorbij: borden vol patat, etende mensen, maar vooral de blik van haar vader, als ze weigert te eten. ‘Fratsen,’ hoort ze hem weer zeggen.

Ze is bang om het gevecht te verliezen. Nog even en haar ouders sluiten haar op in een kliniek. Steeds vaker klinken de ruzies door de dunne muren heen. De laatste tijd neemt haar moeder het niet meer voor haar op.


Er is maar één oplossing: ze moet weg van huis. Karlijn stopt enkele kledingstukken en haar dagboek in haar rugtas en sluipt naar buiten. Het regent, maar dat deert haar niet. Integendeel, het water spoelt haar schoon: geuren van vette frituur verdwijnen. Ze loopt naar het bos, een veilige schuilplaats. Een plek waar ze naartoe kan vluchten zonder dat iemand haar ziet.

Onder een oude kastanjeboom gaat ze liggen en valt weer als een blok in slaap.

   Rillend van de kou ontwaakt ze. Het regent inmiddels niet meer, maar haar kleren zijn drijfnat. Het leek zo’n goed plan naar het bos te gaan. Nu verlangt ze naar een warme douche.

Ze neemt haar dagboek uit de rugtas en begint te lezen:


“Het was een topfeest tot tante Louise binnenkwam met haar cadeau: een glanzende coupon van rode zijde.

   ‘Voor je eerste galajurk,’ zei ze met haar schelle stem. 

Ze drapeerde de stof om me heen en snerpte: ‘Wat ben jij mollig geworden! Er is stof te kort.’

En dat, waar al mijn vrienden bij waren; ik schaamde me kapot. 

Ma was woedend op haar: ‘Je hebt gewoon te weinig stof gekocht; gierig was je altijd al.’ 

Mollig, ik ben gewoon mollig. Vet, moddervet ...’ 


Tranen lopen over haar wangen als Karlijn de opmerking van haar tante leest. Het woord ‘mollig’ is ze gaan haten. Meer nog haat ze haar eigen spiegelbeeld: een vies en vet lijf. Bij haar voeten ligt een tak, prachtig van vorm. Ze voelt de scherpte als ze ermee over haar onderarm krast. Terwijl het bloed over haar arm loopt, voelt ze zich gelukkig. 

Met rode letters schrijft ze in haar dagboek:

Zo rank als dit takje, waarmee ik deze letters schrijf, wil ik zijn.

Haar ogen knijpt ze dicht en ze ziet het takje langzaam veranderen in een danseres. Karlijn staat op en danst mee. Even vergeet ze alles.

Ze schrikt op van het geluid van stemmen en naderende voetstappen.

 

Vanuit haar ooghoeken ziet ze een man en een vrouw. 

   ‘Meisje, wat doe jij hier alleen in het bos? Je bent helemaal nat en verkleumd,’ zegt de vrouw.

   ’Laten we verder lopen; je ziet toch dat het een junk is. Broodmager is ze. Ik heb geen zin in problemen,’ zegt de man. 

De vrouw kijkt nog eenmaal om.


Met ontzetting kijkt Karlijn het stel na. Hoe is het mogelijk dat die man haar aanziet voor een junk? En dan die blik vol walging en afschuw. 

Ze pakt een spiegeltje uit haar tas en kijkt naar haar gezicht: bleek met donkere kringen onder de ogen. Alsof ze naar een ander kijkt, een volslagen onbekende.

Ze heeft maar één verlangen: terug naar huis en diep wegkruipen onder haar veilige quiltdeken. Met veel liefde heeft haar oma deze voor haar gemaakt met stofjes van kleding die door haarzelf gedragen is.Vaak fantaseerde ze hoe de jurken eruitzagen om het -ooit zo slanke- lichaam van haar oma. 

In gedachten ziet ze zichzelf weer op de schommel bij de boerderij van haar grootouders: haar opa duwde haar hoog in de lucht. Ze voelt weer hoe de kalfjes op haar hand sabbelden. Ze ruikt het vers gemaaide gras. Geen zorgen of problemen toen, maar simpelweg gelukkig.


Ze staat op. De kastanjeboom druppelt na. Rillend van de kou vervolgt ze haar weg. Haar zakspiegel gooit ze op straat, hij valt uiteen in vele scherven. 

Vanuit de verte ziet ze haar moeder in de deuropening staan.

Karlijn rent naar haar toe: ‘Ik ben er weer, mam.’