VERHALEN

 

Zie hier mijn verhalen van 2017, 2018, 2019, 2021, 2022, 2023, 2024, 2025 2026

 


Het avontuur van Konijn en Haas

Het was een heldere ochtend in Wonderland. De zon scheen uitbundig boven de kleurrijke weiden, de lucht was gevuld met de zoete geur van bloemen.

Het Konijn merkte niets. Hij zat in zijn hol, omringd door klokken van allerlei soorten en maten, terwijl hij zijn dagelijkse ritueel uitvoerde: een wortel eten en zich zorgen maken over de tijd. De klokken tikten onophoudelijk.

‘Te laat, te laat!’ mompelde het Konijn. Hij keek op zijn zakhorloge. ‘Ik ben altijd te laat!’

Hij nam een grote slok thee en stond op om zijn jas aan te trekken. Waar hij precies heen moest, wist hij niet. Het enige wat zeker was: dat hij ergens naartoe moest. En snel ook.

 

Toen het Konijn haastig zijn hol verliet, struikelde hij bijna over een Haas die op de grond lag te praten.

‘Oh, ik ben te laat, ik ben te laat!’ riep de Haas. Zijn hele lijf trilde, zijn staart zwiepte heen en weer. Over zijn wangen stroomden tranen.

Het Konijn: ‘Te laat? Wat een toeval! Ik ben ook altijd te laat. Laten we samen ergens naartoe gaan, dan zijn we tenminste samen te laat.’

De Haas keek verbaasd op en knikte.

Samen renden ze door Wonderland, zonder een duidelijk doel. Ze kwamen al snel bij een vreemde plek, waar de zwaartekracht leek te spotten met de normale regels. Bloemen groeiden ondersteboven en bomen zijwaarts. De wortels dansten met de wind in de lucht.

Het Konijn en de Haas werden duizelig van de vreemde omgeving. Met moeite bewaarden ze hun evenwicht.

Plotseling stond de Haas stil.

‘Wat is dit?’ riep hij en wees naar een glanzend voorwerp in een boom.

‘Geen idee. Laten we ernaartoe lopen,’ antwoordde het Konijn.

In een kastanjeboom hing een glinsterende deur met een felrode deurknop. Daarboven zweefde een zilveren beker: “Drink mij.”

Het Konijn en de Haas keken elkaar aan. Zonder lang na te denken namen ze een slokje. Onmiddellijk krompen ze. Ze werden kleiner en kleiner tot ze niet meer dan enkele centimeters lang waren.

 

‘Wat is er met ons gebeurd?’ vroeg het Konijn, verbaasd over zijn nu veel te grote jas.

De Haas haalde zijn schouders op: ‘Ik denk dat we te veel hebben gedronken.’

‘Je probeert de werkelijkheid te ontkennen, Haas. Kijk eens goed om je heen. Zie je niet hoe groot alles is geworden?’

De Haas moest toegeven dat de wereld er anders uitzag.

 

‘Laten we op weg gaan, Konijn. Als we stil blijven zitten, zal er nooit iets veranderen.’

‘Daar heb je gelijk in.’

Ze kropen onder de levensgrote planten door en struikelden over stenen die nu zo groot waren als huizen. Terwijl ze verder gingen, hoorden ze vreemde geluiden.

Een Rups lag languit op een gigantisch blad te roken uit een waterpijp.

‘Goedemorgen,’ groetten de Haas en het Konijn beleefd.

De Rups blies een wolkje rook in hun richting. ‘Goedemorgen,’ antwoordde hij. ‘Wie zijn jullie en wat doen jullie hier?’

Het Konijn en de Haas vertelden wat hen was overkomen.

‘Jullie hebben geluk dat jullie hier zijn beland, want ik kan jullie helpen,’ zei de Rups. ‘Maar eerst moeten jullie een vraag beantwoorden.’

Het Konijn en de Haas keken elkaar aan en knikten.

‘Wat is tijd?’ vroeg de Rups met een glimlach.

De twee vrienden keken elkaar aan.

‘Eh, dat is een moeilijke vraag,’ zei het Konijn.

‘Dat is het zeker. Maar maak je geen zorgen, er is geen goed of fout antwoord. De betekenis van tijd is voor iedereen anders. Ik laat jullie even alleen om na te denken.’

De Rups rolde zich op en verdween in de vouw van een blad.

De Haas lachte. ‘Dat is voor jou een gemakkelijke vraag, Konijn. Als er iemand iets van tijd afweet, ben jij het wel. Jij hebt een huis vol klokken en horloges.’

‘Gemakkelijk? Helemaal niet. Ik weet hoe laat het is, maar weet ik dan ook iets over tijd?’

‘Jij wilt toch altijd overal op tijd komen? Dan moet je toch weten wat “tijd” betekent?’

Het Konijn zuchtte: ‘Het is een moeilijke vraag. Ik weet dat de tijd voorbijgaat zonder terug te keren. Maar wat gaat er dan precies voorbij? Zeg jij het eens, Haas.’

‘Sinds wij elkaar vanmorgen ontmoetten, is de tijd verstreken. Jij kunt op je horloge zien hoeveel minuten voorbij zijn.’

‘Ja, dat klopt. Het zijn precies negentien minuten.’

‘Dan hebben we toch een antwoord voor de Rups? De tijd is het aantal minuten tussen het begin en het einde van iets.’ De Haas klopte zich triomfantelijk op de borst.

‘Was het maar zo gemakkelijk. Dat had de Rups ook zelf wel kunnen bedenken.’

‘De Rups zei toch dat er geen fout antwoord bestaat?’

‘Dat klopt, maar we kunnen hem niet afschepen met een antwoord dat iedereen kan bedenken. We moeten met iets originelers komen. Laten we samen de ogen dichtdoen en heel goed nadenken.’

‘Een goed plan, Konijn.’

De Haas en het Konijn sloten hun ogen en dachten diep na.

Na een tijdje opende de Haas zijn ogen. ‘Het heeft nu wel lang genoeg geduurd.’

‘Stil, Haas, ik ben nog aan het nadenken. We zijn nog maar net begonnen.’

‘Hoe kan dat nu? Voor mij duurt het lang en voor jou begint het pas.’

‘Oké, ik stop. Je hebt me helemaal uit mijn concentratie gehaald. Zo kan ik niet nadenken.’ Het Konijn haalde zijn horloge tevoorschijn. ‘We waren precies vier minuten stil. Voor jou duurde het lang en voor mij kort. Dat is raadselachtig.’

‘Ja,’ zei de Haas. Peinzend keek hij voor zich uit: ‘De tijd is meer dan wat de wijzers op een horloge aangeven.’

‘Wat een wijze woorden, Haas. Je overtreft jezelf. We komen al dichter bij het antwoord. Ik voel het aan mijn staart.’

De Haas keek minutenlang voor zich uit zonder iets te zeggen. Hij verbrak de stilte: ‘Ik denk dat ik een antwoord heb: de tijd is een mysterie. De klok geeft aan hoe laat het is, maar iedereen beleeft de duur anders.’

‘Beter zou ik het niet kunnen verwoorden, Haas. We gaan met dit antwoord naar de Rups.’

De Rups glimlachte tevreden. ‘Dat is een uitstekend antwoord. En nu zal ik jullie helpen om terug te keren naar jullie normale grootte.’ Hij gaf Haas en Konijn een klein stukje blad. Langzaam groeiden ze tot ze hun normale formaat bereikten.

Ze bedankten de Rups en liepen verder. Rustiger nu. Zonder haast.

 

Ze kwamen bij een glinsterende fontein. Naast de fontein stond een appelboom met een bordje: “Eet mij.”

Ze namen een hap van de appel en werden meteen groter en groter, tot ze zo groot waren als de boom.

‘Oh nee, nu zijn we te groot!’ riep het Konijn. ‘Dit is nog erger dan te klein zijn.’

Ze probeerden zich door Wonderland te bewegen, maar hun enorme formaat maakte dat bijna onmogelijk. Ze struikelden over stenen, vertrapten bloemen en maakten chaos.

Ze hoorden een bekende stem. Het was de Cheshire-Kat, zwevend in de lucht.

‘Hebben jullie problemen met groot zijn?’ vroeg de Kat.

Het Konijn zuchtte. ‘We hebben een beetje te veel gegeten.’

‘Dan moet je de gevolgen dragen. Zo werkt dat.’

‘Kun jij ons niet helpen?’ vroegen de Haas en het Konijn tegelijkertijd.

‘Dat zou ik wel kunnen, maar dat gaat jullie wel wat kosten.’

‘Dat geeft niet, ik heb er alles voor over,’ zei het Konijn.

‘Alles? Meen je wat je zegt?’

‘Ja, echt, als we onze normale grootte maar terugkrijgen.’

‘Oké, dan weet ik wel wat ik wil.’ De Cheshire-Kat lachte. ‘Je zult me nooit geven wat ik vraag, omdat ik weet hoe je eraan gehecht bent.’

‘Zeg het alsjeblieft.’

‘Geef me je hele verzameling klokken.’

Het Konijn moest slikken. De verzameling die hij zo zorgvuldig had opgebouwd. Er zaten erfstukken bij van zijn grootvader en kostbare klokken die hij bij de antiquair had gekocht. Tot nu toe hadden ze zijn leven bepaald. Van minuut tot minuut. Als hij zijn verzameling weggaf, zou zijn leven nooit meer hetzelfde zijn.

‘Eh…’

‘Aarzel je?’ zei de Kat. ‘Ik zal het goed met je maken. Ook de Haas krijgt zijn normale grootte terug.’

‘Konijn, je zult gelukkiger zijn zonder je klokken. Je hebt alle tijd en je hoeft je nooit meer te haasten. Weet je het nog? Tijd is meer dan wat de wijzers op de klok aangeven,’ zei de Haas.

Een aangename warmte trok door het lijf van het Konijn. ‘Het is goed, Kat. Haal mijn hol maar helemaal leeg. Ook mijn horloge mag je hebben. Ik heb hem niet meer nodig.’

De Kat reikte hen een paar brokken aan. Ze aten en krompen tot ze hun normale grootte hadden.

Het Konijn huppelde door Wonderland.

De Haas huppelde naast hem.

De zon scheen uitbundig. De bloemen geurden.

Ze hielden stil bij een veld vol boterbloemen en madeliefjes, gingen liggen in het gras en snoven de geuren op.

‘Heerlijk, Haas,’ zei het Konijn. Zijn stem klonk vrolijker dan ooit. ‘Voor het eerst ruik ik de bloemen. Ik rende er dagelijks doorheen zonder iets te zien.’

De Haas viel in een diepe slaap.

Het Konijn keek naar de wolken. Hij had alle tijd.

 

Gepubliceerd in: Alice, Nieuwe avonturen in Wonderland, Poespa Productions Gent 2025

 

Ongewenst Bezoek

Brutaal streek de vink neer in de top van de kastanjeboom, rechtboven het nest van een eksterpaar dat daar ieder jaar terugkeerde. 

‘Wegwezen. Dit is onze plek,’ kraste het ekstermannetje. Zijn snavel pikte venijnig tegen de tak waarop de vink zat.

‘Leven en laten leven,’ zong de merel. ‘Er is ruimte genoeg in de boom. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd.’ 

De vink trok zich nergens iets van aan en zette het op een zingen. Onophoudelijk, met aan het einde van elke strofe de vinkenslag.

Mokkend staakten de eksters hun verzet. Niet zonder een laatste gekwetter: ‘Wij zijn de oudste bewoners. Dat afschuwelijke gezang van de vink is hemeltergend.’

‘Stop toch eens met klagen. Jullie hebben de mooiste plek in de tuin. Wij moeten het doen met een paar simpele struiken. Jullie zouden  jezelf eens moeten horen.’ De merel trilde van verontwaardiging.

 

De harmonie in de paradijselijke tuin was verstoord. Het scheelde dat er voldoende voedsel was. Wormen in overvloed en elke avond een wolk van muggen. Niemand hoefde gebrek te lijden. Soms kwamen de spreeuwen langs. Ze vraten zich vol, maarbleven gelukkig niet hangen. 

Na een tijdje herstelde het evenwicht zich min of meer. Niet dat de eksters zich hadden neergelegd bij de komst van hun bovenbuurman. ‘Onze buurt heeft minder aanzien gekregen bij de komst van zo’n schreeuwlelijk.’

‘Moet je horen wie het zegt,’ fluisterden de mussen. ‘Het gezang van de vink klinkt vele malen mooier dan het gekras van die eksters.’

De anders zo verlegen koolmees kwam tevoorschijn uit de hortensiastruik. ‘Dat eksterpaar heeft kapsones. Ze hebben geen innerlijke beschaving, het zijn ordinaire praatjesmakers. De vink laat zich tenminste niet ringeloren door die twee.’ 

‘Goed gesproken,’ zong de merel.

Intussen werd het voller en voller in de tuin, zeker nadat de buren hun tuinen betegeld hadden. Steeds meer vogels nestelden zich in de kastanjeboom en de struiken raakten overvol. Het was regelmatig een gevecht om de beste takjes en de sappigstewormen. 

De vink was de eerste die het hardop uitsprak: ‘Onze tuin is vol.’

‘Eens,’ kwetterden de eksters. Ze vergaten voor het gemak even dat ze hadden besloten de vink te negeren.

De merel bleef hetzelfde lied zingen als altijd. ‘Als we allemaal een beetje inschikken is er genoeg ruimte.’

‘Doe niet zo naïef, merel. Ze vreten ons voedsel op en pikken onze ruimte in.’ Dreigend vlogen de eksters op haar af.

 

De sfeer werd grimmig. Om het minste of geringste barstten de ruzies los. Ze pikten elkaars wormen af en vochten om een pissebed. Het gezang van de merel klonk steeds minder vrolijk.

 

Op een mooie namiddag in mei kwamen ze aangevlogen: knalgroene vogels met grote rode haaksnavels. Ze maakten een oorverdovende herrie en namen plaats in de kastanjeboom, alsof ze er al jaren woonden.  De eksters waren zo verbluft dat ze voor even hun snavels hielden. 

‘Wat moeten jullie hier?’ riep de vink tenslotte. 

Een luidkeels gekrijs was het antwoord. De vreemde vogels weken niet van hun plaats. Pas toen de nacht voorbij was, verdwenen ze met dezelfde snelheid als waarmee ze gekomen waren.

‘Gelukkig, die zijn weg,’ tjilpten de mussen opgelucht.

‘Deze vreemde vogels horen hier niet. We kunnen ze niet eens verstaan.’ De vink, nam een vette worm in zijn bek.

 

‘We moeten iets doen, voordat het helemaal uit de hand loopt,’ kraste het ekstermannetje opgewonden.

‘Het is voor het eerst dat hij het woord “we” in de bek neemt.’ De mussen lachten besmuikt. ‘Hij leert het nog eens.’

‘Waar had je aan gedacht?’ vroeg de koolmees. Zijn wangen kleurden rood van opwinding. Eindelijk hoorde hij erbij en mocht hij zijn mening geven.

‘We gaan de grenzen sluiten voor vogels die hier niet horen. Om te beginnen voor de gifgroene vogels die hier alleen maar komen om van ons voedsel mee te eten. Ook de spreeuwen zijn niet meer welkom. Als jullie allemaal meehelpen, bouwen we een muur van takken om de tuin. Dan is het duidelijk dat er grenzen zijn.

‘Dit kunnen jullie niet maken,’ zong de merel. ‘Het luchtruim is vrij voor iedereen.’

‘Ja, de lucht wel, maar deze tuin is overvol. Een stukje verderop zijn er tuinen in overvloed. Laten ze daar maar heengaan.’

‘Wij zijn hier altijd gastvrij geweest en dat zou ik graag zo willen houden.’ De merel keek rond, zoekend naar steun van andere vogels. Niemand deed zijn bek open. De koolmees verstopte zich achter de heg.’

‘Je hoort het, merel, niemand hier deelt jouw mening. Zoek maar een andere tuin.’  

‘Dat zal ik zeker doen. In deze sfeer kan ik mijn lied niet langer zingen. Vaarwel.’

Bedroefd vloog de merel weg zonder nog één keer om te kijken.

 

Na het vertrek van de merel veranderde er ogenschijnlijk niet veel. Gezamenlijk bouwden ze aan het grenshek. De eksters en de vink stonden op wacht om vreemde vogels weg te jagen. De sfeer verhardde, nu de lieflijke zang van de merel ontbrak. De eensgezindheid versplinterde snel en de dagelijkse ruzies keerden terug. De vogels hadden het zo druk met zichzelf dat ze niet merkten dat er nieuwe buren gekomen waren. Met een huisdier.  

 

Volkomen onverwacht sprong een rode kater in de haag van takken, zette zijn klauwen in een musje en nam het in haar bek. Verstijfd van schrik bleven de anderen op hun plek. 

Pas nadat de kat verdwenen was, sprak de ekster. ‘We zijn in groot gevaar. Er zit niets anders op dan zo snel mogelijk te vluchten naar een andere tuin.’

‘Waar vind je die zo gauw?’ Vertwijfeld keek de vink in het rond. 

‘Ach, er zal toch wel ergens een plekje voor ons zijn,’ sprak de ekster zelfverzekerd.

Het was een poosje angstaanjagend stil.

De koolmees doorbrak de stilte met piepende stem: ‘Wat, als andere vogels ook hekken om hun tuinen hebben gebouwd?’

‘We hebben geen keus. Hier moeten we weg.’

Een grote zwerm vogels verliet de tuin. Op weg naar een onbekende bestemming.  

De vink was de laatste die vertrok. 

In de verte klonk de droeve zang van een merel.

©️Nel Goudriaan 

Op weg naar de vrijheid

 

 

Het fietspad langs de zee strekt zich kaarsrecht voor hem uit. De lucht boven hem is staalblauw, dooraderd met dunne wolkenslierten. Met kracht zet Michiel zijn voeten op de pedalen. De wind suist langs zijn oren en dringt met een koele aanraking door zijn jas heen. Hij ademt diep in, zilte lucht vult zijn longen. Een vlucht meeuwen stijgt plotseling op, alsof ze schrikken van zijn aanwezigheid. Hij mindert vaart en kijkt hen na. Hun lichamen worden donkere silhouetten tegen de hemel. Hoe vaak heeft hij daar niet van gedroomd? Te kunnen vliegen. Vrij.

 

De afgelopen jaren was vrijheid voor hem een woord zonder betekenis. Vanachter het kleine raam in zijn cel zag hij soms een vogel langs vliegen. Hoe verlangde hij naar hun zorgeloze bestaan, weg van de grijze stenen muren en het fluorescerende licht dat zijn wereld beheerst had. In het begin hield hij de dagen bij. Elke ochtend trok hij een streep op de muur. Na een paar maanden werden het weken die hij aftelde, later maanden. Uiteindelijk liet hij het los. Wat had het voor zin? Tijd werd een eindeloze, vormloze vijand. De nachten waarin hij de slaap niet kon vatten, waren het ergst. Dan ging hij terug naar die ene dag. De dag waarop alles veranderde.

Golven ruisen, de witte schuimkoppen glanzen in het zonlicht. Het geluid van de branding brengt hem bijna tot rust, maar niet helemaal. Hij kan zijn verleden niet zo eenvoudig achterlaten. Tranen stromen onverwachts over zijn wangen. Hij veegt ze weg, alsof hij bang is dat iemand hem ziet. Maar er is niemand, alleen hij, de weg, de wind, en de herinneringen die als donkere wolken over hem heen trekken.

 

Het was Martha geweest die de oorzaak was van alles. Martha met haar vlammende ogen en een stem die als een mes door zijn zenuwen ging. Hij hoorde haar weer, scherp en luid in zijn hoofd, zoals ze klonk toen ze op hem afstormde. Haar blik gevuld met die allesverzengende jaloezie. 'Je hebt me weer bedrogen, Jacob! Je liegt, je bent een leugenaar!'

Jacob. Zo noemde ze hem nog steeds, ook al was hij allang gestopt met haar te corrigeren. Hij was geen Jacob, geen leugenaar. Nooit geweest. Maar in Martha's wereld waren feiten vloeibaar, net als waarheid. Hoe vaak had hij geprobeerd haar te overtuigen? Hoe vaak had hij gedacht dat hij haar vertrouwen kon winnen; gehoopt dat haar liefdesvuur sterker zou zijn dan haar wantrouwen? Maar nee. Haar jaloezie was een slang die haar langzaam maar zeker in een wurggreep hield.

Hij weet niet meer wanneer hij brak. Misschien was het op die bewuste avond, toen haar haat alles verzwolg. Haar schelle stem, haar tergende blik, de geur van muffe spruitjes die nog in de keuken hing. Hij had haar geschreeuw willen stoppen, haar armen willen wegduwen, haar willen laten ophouden met die eindeloze beschuldigingen. Maar het was anders gegaan. Hij had haar bij de keel gegrepen, in een opwelling. Haar ogen vulden zich met angst, daarna met niets. En terwijl haar lichaam uit zijn handen gleed, wist hij dat hij alles verloren had. Hij dacht dat hij eindelijk vrij zou zijn. Vrij van haar. Maar wat daarna kwam, was een gevangenschap die hem nog dieper afsloot dan zij ooit had gedaan.

 

Michiel stopt langs de kant van het pad. Hij legt zijn fiets neer, gaat zitten in het vochtige zand en laat het water uit zijn veldfles over zijn droge lippen glijden. Langzaam dringt het tot hem door: zijn boetedoening is voorbij. Er is niemand meer die iets van hem verwacht. Geen cipier die zijn bewegingen volgt. Geen rechter die hem toespreekt met zware woorden. Het is alleen hij, zijn fiets, de stilte en de zee. Maar wat nu? Wat moet een man doen die eindelijk vrij is?

Een witte reiger strijkt naast hem neer. Hij volgt de vogel met zijn ogen, verwonderd over de elegantie waarmee hij zijn lange poten plaatst. Michiel glimlacht flauwtjes, bijna onbewust, en grijpt naar zijn rugzak. Hij haalt er een stuk brood uit, breekt het in kleine stukjes en strooit ze in het zand. De reiger aarzelt even, maar pikt dan dankbaar toe. Het tafereel brengt een vage herinnering naar boven: hij, als kleine jongen, aan de hand van zijn moeder. Samen brood strooiend voor de eenden in de vijver. 'Ze vechten altijd om het grootste stukje,' had zijn moeder gezegd, terwijl ze hem zachtjes op zijn hoofd kuste.

De gedachte aan haar voelt als een warme deken om hem heen. Zij was de enige geweest die altijd in hem geloofde. Zelfs toen het vonnis werd uitgesproken en de wereld hem voor goed afschreef, had zij hem niet laten vallen. Haar brieven, vol hoop en vertrouwen, waren als een lichtpuntje in de donkere cel geweest. Maar zelfs dat was hem ontnomen. Ze was gestorven terwijl hij opgesloten zat. Hij mocht zelfs niet naar haar begrafenis.

De reiger vliegt weg en Michiel voelt een steek van leegte.

 

Hij pakt zijn fiets weer op en vervolgt zijn weg langs het water. Het pad buigt af en wordt smaller. Hoge duinen rijzen aan weerszijden op en blokkeren de wind. Voor het eerst voelt hij de warmte van de zon op zijn huid. Het zand onder zijn banden knispert zacht. Hij ziet een bord met een pijl: "Uitkijkpunt". Iets in hem zegt dat hij daarheen moet. Hij parkeert zijn fiets en klimt het smalle pad omhoog, zijn benen brandend van de inspanning.

Boven aan de top blijft hij staan en kijkt uit over de zee. De horizon lijkt oneindig, een lijn die alles scheidt en tegelijkertijd alles verbindt. De golven komen en gaan, onverstoorbaar, alsof ze hem willen vertellen dat het verleden slechts een beweging in de tijd is. Hij haalt diep adem. Een gedachte dringt zich aan hem op: niet meer omkijken, maar vooruitkijken naar de vrijheid die op hem wacht.

 

Dan hoort hij voetstappen achter zich. Hij draait zich om en ziet een vrouw. Haar silhouet is slank, haar gezicht verscholen onder een grote hoed. Ze glimlacht naar hem. 'Prachtig hier, hè?' zegt ze, haar stem klinkt warm en vriendelijk. Hij knikt, nog niet in staat iets terug te zeggen. Ze gaat naast hem staan, haar handen losjes in haar zakken. 'Ik kom hier vaak,' zegt ze. 'Het helpt me om mijn hoofd leeg te maken.'

'Dat klinkt goed,' antwoordt hij eindelijk. Zijn stem klinkt schor, alsof hij in jaren niet heeft gesproken.

De vrouw kijkt hem aan, haar blik zacht maar doordringend. 'Je hebt veel meegemaakt, hè?' Het is geen vraag, meer een constatering. Hij wil iets zeggen, zich verweren, maar er komt niets.

'Ik ben Maria,' zegt ze na een korte stilte. 'Misschien kom ik je hier nog eens tegen.' Ze draait zich om en loopt langzaam weg, haar voetstappen nauwelijks hoorbaar in het zand. Hij blijft staan, verward maar ook geraakt. Wie was ze? En hoe kon ze zo door hem heen kijken?

 

Wanneer hij terugkeert naar zijn fiets, voelt hij iets in zijn jaszak. Zijn hand glijdt naar binnen en haalt er een klein papiertje uit:

"Soms vinden vogels elkaar in de wind. Maria."

Daaronder een telefoonnummer. Hij staart naar het briefje, zijn hart klopt in zijn keel. Voor het eerst in jaren voelt hij iets dat lijkt op hoop.

Zorgvuldig vouwt hij het briefje op en stopt het terug in zijn zak. Hij kijkt naar de horizon, waar de lucht en het water elkaar ontmoeten. Het leven zal nooit meer hetzelfde zijn, dat weet hij. Heel misschien, kan hij leren om opnieuw te vliegen

 

 

Wat is er toch met Loes?

 

 

In het begin had niemand iets in de gaten. Ik was de eerste van de collega’s die iets opmerkte bij Loes. Het waren slechts kleine veranderingen: haar stem klonk een paar tonen hoger. Op haar armen en benen verschenen lichte donshaartjes. Haar tred werd veerkrachtiger, maar dat kon ook verbeelding zijn. Ze deed haar werk accuraat als altijd, ze was vrolijk en behulpzaam,

Op een dag dronk ze melk in plaats van de gebruikelijke cappuccino. Een collega maakte er een grap over: ‘Geen cafeïne vandaag, Loes? Pas maar op dat je niet in slaap valt boven je laptop.’

Ze had alleen maar geglimlacht en hield haar hoofd een beetje schuin.

Later viel op dat ze moeilijk stil kon zitten achter haar bureau. Van tijd tot tijd liep ze rond, bleef een moment staan bij een collega en raakte deze terloops even aan. En dat terwijl ze normaal gesproken de gebruikelijke afstand hield. ‘Niet te intiem worden met collega’s,’ zei ze altijd. ‘Werk en privé moet je scheiden.’

 

Op een warme zomermiddag was ze neergestreken op een bankje in het park achter het kantoor. Ze lag daar met haar ogen gesloten. Haar rok krulde een beetje omhoog, haar rode pumps lagen in het gras.

‘Gaat het wel goed met je, Loes?’ vroeg ik.

‘Prima hoor, ik wilde alleen maar de zon op mijn huid voelen.’

Haar blik was loom, haar wangen kleurden lichtbruin.

‘Vinden jullie ook niet dat Loes vreemd doet de laatste tijd?’ vroeg ik aan mijn collega’s.

‘Nu je het zegt, ik vind haar erg onrustig. Ze kan zomaar opeens achter me staan, zonder dat ik haar kon horen aankomen,’ zegt Gerda.

‘Ach, misschien is ze in de overgang. Dan doen vrouwen vreemde dingen.’ Niemand lachte, alleen Piet, die deze opmerking maakte.

‘Ze zit in ieder geval niet goed in haar vel,’ zei Janny, die een paar weken geleden haar relatie had verbroken. ‘Ik voel dat -in mijn situatie- onmiddellijk aan.’

Er gingen weken voorbij. Loes leek in een stabieler vaarwater te komen. We raakten eraan gewend dat ze af en toe met haar hoofd langs onze armen streek.

‘Ze heeft gewoon affectie nodig als vrouw alleen. Huidhonger noem je dat tegenwoordig,’ zei Piet. Zijn wangen kleurden dieprood en zijn glimlach was zelfvoldaan.

‘Bah, wat een rotwoord. Daar word ik spontaan misselijk van,’ riep ik naar Piet.

‘Ik zeg het nogmaals: huidhonger. Ik stel mijn huid beschikbaar, ik heb genoeg voor iedereen.’ Zijn volle buik hing over zijn strakgespannen broek. Hij was de enige die lachte.

 

Op een donderdag in juli kwam Loes geagiteerd de kantoorruimte binnen. Ze smeet haar tas naast zich neer en groette niemand.

Haar gezicht leek een stuk smaller en haar kin was puntiger. Zou ze op dieet zijn?

Ik keek haar nog eens goed aan. Haar lippen tuitte ze een beetje, alsof ze op het punt stond iemand te zoenen. Pas nu vielen me een paar donkere snorharen op.

Lang hield Loes haar zittende houding niet vol. Sierlijk danste ze van de ene tafel naar de andere. Haar zwarte jurk zwierde om haar lijf, met een ceintuur die als een soort staart achter haar aanhing.

Niet alleen haar gezicht was vermagerd, haar hele lijf was dun en lenig als elastiek.

‘Ben je tegenwoordig lid van een turnclub?’ vroeg ik haar.

Ze knikte verlegen. ‘Mijn lichaam vraagt erom meer aan beweging te doen.’

Toen het tijd was om te lunchen nam ze haar broodtrommel uit haar tas. Nadat ze deze had geopend, doordrenkte een sterke vislucht onze ruimte. ‘Sorry, vandaag heb ik zin in tonijn.’

‘Ben je soms op een koolhydraatarm dieet?’ vroeg ik haar.

‘Kijk maar uit dat je niet uit je bek gaat meuren,’ riep Piet vanuit zijn bureaustoel.

‘Kan het misschien een beetje minder grof? We werken hier wel op een beschaafd kantoor,’ antwoordde ik pinnig.

‘Het ruikt hier naar de visafslag.’

Loes werd niet kwaad. Integendeel, de opmerkingen van Piet leken haar te amuseren.

Vanaf die dag at ze in de lunchpauze alleen nog maar vis. We raakten gewend aan de lucht, al gooide Piet na de lunch wel altijd de ramen open.

Je kon erop wachten: op een warme middag in augustus vloog een musje het raam binnen. In paniek fladderde het beestje in het rond, op zoek naar de uitgang. We probeerden de mus naar het raam te lokken. Tevergeefs.

Het gebeurde van het ene op het andere moment. In een flits kwam Loes omhoog, maakte een reuzensprong, greep de vogel met beide handen vast en hield het beestje voor haar mond. Haar tanden kwamen tevoorschijn en even leek het erop dat ze de vogel levend wilde verslinden. De blik in haar ogen was wild, haar donsharen stonden recht overeind.

‘Ben jij helemaal gek geworden?’ donderde Piet. Met een snelle greep pakte hij haar de vogel af en liet hem los bij het open raam.

Loes sprong naar voren en krabde hem in het gezicht. Bloed liep in straaltjes langs zijn wangen.

‘Beestachtig gedrag. The bloody limit, wat mij betreft. Eruit, en kom niet meer terug.’

‘Ho ho, dat gaat niet zomaar: Loes heeft recht op een weerwoord,’ zei ik.

Aan de agenda van de vergadering van die dag voegde ik een extra punt toe: “Gedrag Loes”.

We zaten met de collega’s van de afdeling rond de tafel met koffie, thee en een glas melk voor Loes.

De voorzitter stak van wal. ‘Laten we maar direct met het extra punt beginnen. Ik heb begrepen dat er onrust op de afdeling is.’

Loes vroeg als eerste het woord. Allen keken haar vol verwachting aan: hoe ging ze zich hieruit kletsen?

‘Collega’s,’ zei ze. Haar stem schoot een octaaf omhoog. ‘Ik had het jullie al veel eerder willen vertellen, maar durfde het niet, uit angst voor jullie reacties. Nu kan ik er niet langer omheen. ‘Ik ben geboren in een verkeerd lichaam.’

Het was doodstil, mijn collega’s zaten als verstard op hun stoelen.

Loes vervolgde: ‘Als kind al was ik gefascineerd door katten: hun lenigheid, hun soepele loop en hun zachtheid. Van mijn ouders mocht ik geen huisdieren. Ze gaven me een pluchen poes.’

Een paar collega’s zuchtten nadrukkelijk. Ik hoorde ze denken: hier zitten we niet op te wachten.

‘Het hoge woord moet er nu maar eens uit: ik ben in transitie. Eindelijk heb ik een arts gevonden die mij in mijn proces wil begeleiden. Binnenkort heb ik een operatie die mijn verandering tot kat compleet maakt. Vanaf dan kan ik alleen nog maar op vier poten lopen.’ Terwijl ze dat vertelde, leken haar ogen licht te geven.

Mijn collega’s zagen het ook. Ik wist het zeker: in hun ogen las ik betovering, vermengd met ongeloof.

Loes praatte door: ‘Ik heb alleen één probleem. Er is niemand die me een huis kan bieden en me kan verzorgen. Na de operatie kan ik niet meer met mensen communiceren. Daarom stel ik jullie de vraag: zouden jullie me willen opnemen als kantoorkat?’

Piet bulderde van het lachen. ‘Dit is de beste grap die ik in tijden heb gehoord. Je bent onbetaalbaar, Loes.’ Hij gaf haar een vette knipoog.

Loes zette een hoge rug op en blies.

De voorzitter nam het woord: ‘Moedig dat je dit vertelde, Loes. Ik leg jouw verzoek neer bij de ondernemingsraad. Je bent altijd een uitstekende werknemer geweest. Ik verwacht dat ze positief zullen reageren. Wij zijn een modern bedrijf, waar plek is voor iedereen.’

Vanuit de stoel van Loes klonk een geluid dat het meest op spinnen leek.

Piet wreef nog eens over zijn gehavende gezicht en mompelde; ‘Het moet niet gekker worden hier. Ik kan wel zeggen dat ik eigenlijk een tijger ben.’

 

Drie maanden na de vergadering kocht ik voor Loes een kattenbak, een speciaal bankje en een krabpaal.

Het grootste deel van de dag sliep ze; zo af en toe kwam ze even bij me op schoot liggen en knipoogde naar me.

Piet ontweek haar zoveel mogelijk. Zijn gezicht kreeg een steeds grimmiger uitdrukking, zijn logge voetstappen dreunden steeds langer na. Zijn stem klonk donkerder en hij ontwikkelde de gewoonte aan alle collega’s te ruiken bij wijze van begroeting. Als ik hem vroeg wat er aan de hand was, grauwde en snauwde hij. Op een dag tilde hij zijn been op en deed zijn behoeften tegen de poot van mijn stoel.

Ik wierp hem een bot toe. Hij jankte hartverscheurend.

 

Nel Goudriaan, december 2022

Brief aan mijn schrijver

Beste schrijver,

 

Excuses voor deze onpersoonlijke aanhef, alsof wij elkaar niet door en door kennen. Je stond met me op en ging met me naar bed. Ik bezocht je in je dromen, je lachte en huilde om me. Je creëerde me, zonder jou zou ik er niet zijn geweest.

Nu jij me hebt losgelaten, heb ik de behoefte afstand van je te nemen.

Ik zie hoe je je wentelt in zelfgenoegzaamheid als er weer eens een van je vrienden een recensie heeft geschreven. Hoe je strooit met het aantal sterren van lezers. Alsof ik niet meer voor je besta. Alsof mijn worstelingen jou niet meer interesseren, nu je me in beton gegoten hebt.

Je zult nu ongetwijfeld zeggen: ‘Hoho, een boek is geen beton. Het papier is soepel en de bladzijden sla je in je eigen tempo om.’

Ik vraag je even stil te staan om naar mij te luisteren zonder pen, zonder toetsenbord.

 

Na deze inleiding kom ik tot de kern: ik klaag je aan.

Ten eerste vanwege je lafheid -ja dat is het- om mijn persoonlijkheid af te vlakken. Alle trekken van mij die kunnen schuren, poetste je weg. Je kneedde een oppervlakkig verhaal van me. Jouw tranen waren krokodillentranen, ik kan het niet anders zien.

Ten tweede vanwege je gebrek aan creativiteit: je schiep een tegenspeler die mij niet waardig is. Een slechterik zonder enige nuance, zodat jouw publiek alleen van mij zou kunnen houden. Waaraan heb ik dit verdiend? Waaraan heeft de lezer het verdiend dat je mij in zijn schoot wierp als een hapklare brok?

Ten derde vanwege je zelfgenoegzaamheid. Je dacht me door en door te kennen, maar heb je werkelijk de moeite gedaan je in mij te verdiepen? Je hebt een karikatuur van me gemaakt, een lieveling van het grote publiek. “Wat zeur je nu? Wat wil je dan?” Ik hoor het je zeggen.

Dat moge duidelijk zijn: ik wil dat je me laat zien met mijn lichte en schaduwkanten en niet als een clown die het publiek vermaakt.

 

Het boek is geschreven en ligt in de winkel. Ik kan niet anders dan in mijn lot berusten.

Wel vraag ik je in de toekomst mijn lotgenoten met meer respect en compassie te behandelen. Dat zal ongetwijfeld ten koste gaan van de ronkende verkoopcijfers. Je beloning zal zijn dat je kunt slapen met een rustig geweten. Dat je trots kunt zijn een echt mens te hebben geschapen. Dat je een schrijver bent die zijn naam met ere draagt.

 

Ondanks alles haat ik je niet. Beschouw deze brief dan ook als een blijk van waardering voor jou, als hoofdpersoonmijn schepper. Ik heb het goede met je voor. Ik houd je een spiegel voor. Heb de moed jezelf in de ogen te zien.

 

Jouw hoofdpersoon

 

 

©Nel Goudriaan, november 2021

Op weg naar de vrijheid

Op weg naar de vrijheid

versie 500 woorden

 

Het fietspad langs de zee strekt zich kaarsrecht voor hem uit. Met kracht zet Michiel zijn voeten op de pedalen. De wind suist langs zijn oren. Plots stijgt een vlucht meeuwen op. Hij mindert vaart en kijkt ze na.

De afgelopen jaren is hij vaak jaloers geweest op de meeuwen, vanachter het kleine raam in zijn cel. Hoe verlangde hij ernaar zijn monotone leven te ruilen voor het leven van een vogel.

In het begin streepte hij de dagen af; later werden het weken, maanden. Tenslotte stopte hij ermee; wat restte was het verschil tussen dag en nacht. Eindeloos waren de nachten waarin hij de slaap niet kon vatten.

Golven ruisen; zilte lucht vult zijn neus. Zilveren schuimkoppen glanzen in het zonlicht. Wat heeft hij dit gemist. Hij, de man die altijd in de natuur te vinden was. Tranen stromen over zijn wangen. Kon die ene, fatale dag maar gewist worden, zoals een gum de bekraste bladen in een boek schoonveegt.

 

De dag dat Martha als een furie op hem afkwam. ‘Jacob, je hebt me weer bedrogen en daarvoor zul je boeten.’ Die krankzinnige blik in haar ogen, de haat, het wantrouwen. Jarenlang had hij ertegen gevochten. Tevergeefs. Haar jaloezie was als een groene slang die haar keer op keer in een wurggreep hield.

‘Afgelopen,’ had hij geschreeuwd. ‘‘Het is afgelopen, voorgoed.’

Haar tergende blik, schelle stem en muffe spruitjesgeur. Hij greep haar bij de keel en kneep haar zo lang dat ze tenslotte, naar adem happend, uit zijn handen glipte.

Hij dacht vrij te zijn, een andere gevangenschap kwam ervoor in de plaats.

 

Hij legt zijn fiets neer, gaat op het vochtige zand zitten en drinkt een slok water. Langzaam dringt het besef door dat zijn boetedoening voorbij is. Er is niemand die iets van hem moet. Enkel hij, zijn fiets, de stilte en de zee.

Een witte reiger strijkt naast hem neer. Uit zijn rugzak pakt hij een stuk brood en breekt het in kleine stukjes. Dankbaar hapt het ranke beest toe. Even is hij weer de kleine jongen die met zijn moeder de eendjes voerde. De jongen die toekeek hoe de vogels vochten om een korstje brood.

Waar ging het mis?

Onrust steekt de kop op. Hij moet verder. Stilzitten heeft hij de laatste jaren genoeg gedaan.

Nu alleen maar doorrijden langs de zeereep. Zijn lijf stoomt vol met energie. Het oefenen op de hometrainer is niet voor niets geweest.

 

Martha vond wielrennen een sport voor mannen die geen rust kenden, “van die types die zo nodig in een kort strak broekje moeten doen alsof ze sportief zijn en intussen alleen maar aandacht van de vrouwen willen.”

‘Stop,’ roept hij tegen de wind in. ’Je bent vrij, man. Eindelijk vrij.’

Even heft hij zijn handen in de lucht. Bijna maakt de fiets een schuiver.

Op tijd vinden zijn handen het stuur terug. Hij herpakt zich; ritmisch bewegen zijn voeten zich op de pedalen.

De zon breekt door de wolken, er opent zich een poort van licht naar een onbekende verte.

Een huivering trekt door hem heen. De vrijheid waarnaar hij al die jaren heeft verlangd, lijkt een eindeloze witte leegte. Er is niemand die op hem wacht, niemand die hem mist. Niemand die het iets uitmaakt of hij al dan niet bestaat.

Het ruisen van de golven gaat over in bulderen. De stem van Martha snerpt er bovenuit: ‘Eeuwig zul je boeten voor je wandaden.’

 

Wie gaat hem verlossen van deze stem die altijd binnenin hem zal blijven, zich keer op keer zal laten horen? Michiel fietst de zee in. Steeds verder. Schuimkoppen vliegen om zijn oren. Het ijskoude water vormt een beschermende muur om hem heen.

 

Nel Goudriaan, september 2022

Gepubliceerd in "Vierkant", een project van Ambilicious en Ton de Koning