Troostjas

Deze jas is voor jou … draag hem met liefde,’ waren zijn laatste stamelende woorden. Daarna sloot hij zijn ogen. 

Dagenlang waakte ik bij zijn bed en vroeg me af, of hij wist dat ik naast hem zat. Slechts zijn onregelmatige ademhaling was hoorbaar. Ik bevochtigde af en toe zijn droge lippen met een wattenstaafje. De nachten duurden eindeloos. Overdag kwamen er mensen langs om afscheid van hem te nemen. De meesten van hen kende ik niet. Zij kenden mij wel: hun blikken zeiden voldoende. Soms vroeg iemand aan me, waar ik het lef vandaan haalde hier te zitten.
‘Hij is mijn vader,’ antwoordde ik dan.
‘Dat had je eerder moeten bedenken,’ zeiden ze.
Na hun vertrek, voelde ik weer de beklemming en de schaamte.
Had ik het recht om hier tijdens zijn laatste uren aanwezig te zijn? Was ik geen indringer in de intimiteit van zijn laatste kwetsbare uren?

Ik denk aan de dag dat hij terugkwam uit Parijs. Hij woonde daar -zoals vaker- een congres bij. Ik was een puber van vijftien die zich afvroeg waarom mijn moeder tijdens zijn afwezigheid voortdurend rode ogen had en steeds stiller werd. Op mijn vragen gaf ze geen antwoord. Als mijn vader terugkwam zouden de nachten weer zijn gevuld met geschreeuw, verwijten en huilen, zoals alle andere keren.
Hij kwam binnen en droeg een onbekende lange beige jas die bijna tot zijn enkels reikte.
‘Wat draag jij nu?’ vroeg mijn moeder.
‘Je lijkt wel een zwerver. Heb je onder een brug geslapen?’ voegde ik eraan toe.
Hij antwoordde niet, reageerde niet op mijn opmerking, maar zweeg. Ik zag hoe zijn ogen zich met tranen vulden. Zijn jas rook naar modder, tabak en oud zweet. Ik probeerde contact met hem te krijgen, maar hij bleef onbeweeglijk staan.
Mijn moeder doorbrak de stilte met een vreemde hoge stem:
‘Gaan we deze keer zwijgen? Wil je soms mijn medelijden opwekken? Ga dan direct maar terug naar die mooie vriendin van je. Je denkt toch niet dat ik hierin trap?’
‘Ik heb geen …’
‘Stop met je leugens en verdwijn. Ik heb je al te lang je gang laten gaan.’
Weer keek ik naar mijn vader: een spierwit gezicht, een blik die alleen maar hulpeloosheid uitstraalde. Mijn moeder keek triomfantelijk.
Er kwam een blinde woede bij me naar boven; ik pakte mijn moeder bij de schouders en schreeuwde: ‘Heb je nu je zin?’
Ik schudde haar door elkaar. Mijn vader probeerde me te stoppen, maar ik was niet te temmen en sloeg haar. Ze wankelde, viel tegen de punt van een kast …
Een schreeuw, daarna een doodse stilte. In het huis ben ik sindsdien niet meer geweest.

Hij is me nooit komen opzoeken in de jeugdgevangenis of de internaten waar ik verbleef. Ik probeerde hem te vergeten, maar in mijn dromen zag ik hem keer op keer met zijn smekende blik. Ze vroegen me regelmatig of ik spijt had, maar ik moest het antwoord schuldig blijven. Alsof een ander, niet ikzelf, de slag had toegebracht.
Ik vluchtte in drugs, criminaliteit en met vrienden maakte ik de straat onveilig.

Op een dag kwam een witte envelop met daarin een brief. Na al die jaren herkende ik meteen het handschrift van mijn vader:

Jongen,

Vergeef me dat ik je nooit ben komen opzoeken. Na die ene dag leek het, alsof ik van binnen van steen geworden was. Niets drong tot me door; ik voelde geen pijn, geen gemis, helemaal niets. Maandenlang heb ik het huis niet verlaten, zelfs de begrafenis heb ik niet bijgewoond. Familie en buren brachten me eten, maar daar kan ik me nauwelijks iets van herinneren.
Na al die jaren besef ik dat jij toen voor me in de bres sprong. Zo ver had ik het nooit mogen laten komen. Ik had je moeder al veel eerder de waarheid moeten vertellen en haar niet in de waan moeten laten dat ik een minnares had. Destijds vond ik dat gemakkelijker; de huil- en schreeuwpartijen nam ik op de koop toe. Jij was nog een kind, een puber en daarmee heb ik geen enkele rekening gehouden. Ik heb jouw leven geruïneerd. Spijt is daarvoor een te klein woord.

Jij hebt recht op de waarheid: nooit heb ik een congres bezocht. Zodra ik in Parijs aankwam, wisselde ik mijn nette pakken om voor joggingbroeken met oude truien. Dat was de enige manier waarop ik hem kon benaderen. Jouw moeder wist niet van zijn bestaan: mijn enige broer Jacques. Uit valse schaamte heb ik nooit iets over hem verteld. In haar milieu was geen plaats voor hem. Hij was dakloos, verslaafd en sliep onder bruggen. Vaak was hij ziek, wanneer ik hem opzocht om hem eten en warme kleding te brengen. Meestal was hij te beneveld om me te herkennen, maar soms was er even contact. We sliepen samen buiten onder een deken, heel dicht tegen elkaar aan, zoals we vroeger samen thuis in ons jongensbed sliepen. Soms huilde hij en dan sloeg ik mijn armen om hem heen.

Bij hem schaamde ik me voor mijn succesvolle leven, mijn warme huis, mijn rijkdom. We kwamen uit hetzelfde gezin: ik was gezond, hij leed aan ernstige psychoses. We waren beiden intelligent, hij kon door zijn ziekte geen concentratie voor zijn studie opbrengen en belandde uiteindelijk in de goot.
Op een dag kocht ik in een kringloopwinkel voor hem een warme jas: de jas die ik aanhad op die fatale avond. Jij sprak toen onbewust de waarheid. Het was zijn lievelingsjas; hij woonde erin. Als we samen sliepen, sloeg hij hem open en legde een deel daarvan op mij.

Toen ik de laatste keer in Parijs was, lag hij in een ziekenhuis met een zware longontsteking. Onherkenbaar in een bed met witte lakens. Het leek alsof hij op me had gewacht. Over een stoel hing zijn jas. Hij wees ernaar en keek me aan. Daarna sloot hij zijn ogen voorgoed.

Nu ben ik ziek. Kom alsjeblieft naar huis.

Je vader

Ik las en herlas de brief. Langzaam drong de waarheid tot me door: de eenzaamheid van hem die nu zijn geheim met mij deelde. Ik heb hem nooit gekend, niemand kende hem.

Ik keek naar mijn aanrecht vol bierblikjes, pizzadozen en lege flessen, nam een vuilniszak en kieperde alles daarin. In een rugtas stopte ik een paar kledingstukken en nam de eerstvolgende trein …

Voor het eerst na de begrafenis ben ik buiten. De oktoberzon schijnt boven het water. Bomen hebben gele en oranje herfsttinten Een fuut zwemt voorbij. Ondanks de warme temperatuur draag ik een lange beige jas. Ik zie mezelf in de spiegel van het meer. Voor het eerst van mijn leven ervaar ik een zweem van geluk.

Herfstdraden

 Herfstdraden

 

Het is stil herfstweer als ik mijn geboortedorp binnenrijd. Het zonlicht schijnt door de bomen en laat de bladeren schitteren in oranje, gele en rode tinten. Het dorp bestaat uit één lange straat, die in het midden wordt gescheiden door een kruispunt. Aan de westzijde loopt een lange vaart. De oostzijde bestaat uit weilanden, landhuizen en bossen.

Mijn auto zet ik aan de kant en te voet ga ik verder. De koeien staan nog buiten in dit jaargetijde.

  De gordijnen van het huis van mijn ouders zijn dicht. Toen zij er nog woonden, stonden ze altijd open. De dag waarop we het huis leeghaalden, stond er een grote container op de stoep. De rest van het meubilair ging naar de Kringloop. Daarna de stilte, het stof, de kale muren met de lichte plekken waar jarenlang dezelfde schilderijen hingen. En het moment waarop we voor de laatste keer de deur afsloten.

  Ik loop verder en houd stil voor de voormalige schilders werkplaats van mijn opa. De verf is afgebladderd, zijn naam is uitgewist. ‘Schilders sinds 1834' staat er nog slechts te lezen. Hier mengde hij zijn verf. Vooral grachtengroen: een mengkleur van Berlijns blauw en chromaatgeel, waarmee hij de deuren en kozijnen verfde van de monumentale landhuizen die gelegen waren aan de rand van het dorp. Soms mocht ik in de schoolvakantie met hem mee. Als hij op de hoge ladder stond, floot of neuriede hij psalmen. 

Ik loop door naar het Zuidereind. Langs de vaart zijn nog de panden te zien van wasserijen. Rijke Amsterdammers lieten er hun was naartoe brengen. Mijn moeder deed elke maandag zelf de was en hing deze buiten op een lijn, gespannen tussen een paar boomstammen. De andere dorpsbewoners deden hetzelfde.

 

  Vandaag is het leeg tussen de bomen. In de verte zie ik een rijtje witte huizen, de enige aan de kant van de waslijnen. De wijk werd Lombok genoemd.  In het middelste huis woonde hij …

Ik denk terug aan de herfst van lang geleden. We zochten beukennootjes en tamme kastanjes in het bos. Met zijn vijven: Gerbrand was er die dag niet bij. Eigenlijk was ik stiekem een beetje blij daarom. Een echte pestkop kon hij soms zijn.

Thuis, aan tafel hoorde ik dat hij ziek was. In de keuken fluisterden mijn ouders. Ik verstond alleen: ‘Hoofdpijn, hele erge hoofdpijn.’ En daarna waren ze extra bezorgd om mij. Waarom, begreep ik later pas.

Er ging een week voorbij. De dag waarop hij stierf, stormde het. De bomen veranderden in kale voorbodes van de winter. In het voorjaar zouden er nieuwe knoppen ontspruiten. Zonder hem. Voor het eerst besefte ik dat het leven eindig was.

 

  Mijn voettocht eindigt op de begraafplaats. Ik zoek naar zijn graf; de steen is verweerd. De steen van het graf van mijn ouders ziet eruit als nieuw.  De bodem van beide graven is bezaaid met dorre bladeren.

Breekpunt

‘Laten we niet meteen naar huis gaan, maar naar ‘ons' restaurant.'

‘Alsof we iets te vieren hebben …’

‘Even rustig praten samen in een andere omgeving. Dat hebben we nu nodig, Marc.'

Hij knikt.

Het is stil in de auto, als we op de snelweg rijden. Ik kijk van opzij naar Marc: hij houdt zijn lippen op elkaar geklemd. Zo zag hij er ook twaalf jaar geleden uit, toen we het ziekenhuis verlieten.

‘We mogen de hoop niet opgeven,' zeg ik meer tegen mezelf dan tegen hem.

Ik sluit mijn ogen en zie de scène weer helemaal langstrekken: de arts die ons nauwelijks durfde aan te kijken, de vraag naar erfelijke ziektes in onze families, maar vooral de blik van Marc, de wanhoop en de angst die eruit spraken.

 ‘De kans op volledige genezing is niet groot, tenzij een direct familielid een nier doneert', sprak de arts.

Marc sloeg beschermend zijn arm om Paul heen.

‘Het komt goed, jongen,' zei hij. ‘Als je beter bent, gaan we weer samen voetballen.'

...

Ik denk aan die andere diagnose: 'De kans dat u samen kinderen zult krijgen is uiterst miniem.'

Een jaar later werd Paul geboren. Marc was uitzinnig van blijdschap. ‘Ik heb het altijd geweten dat ik vader zou worden,' riep hij. Toen hij zag dat bij mij de tranen over de wangen liepen, streelde hij me. ‘Vreugdetranen zijn het. Zie je wel, er gebeuren nog wonderen.'

Ik merk nu pas dat we stilstaan bij een benzinestation. Marc stapt uit om te tanken. Als hij na een tijdje terugkomt, is zijn blik anders. Ik zie een vastberadenheid die ik van hem ken.

‘Alles zal ik voor hem doen: we halen de beste artsen erbij. Ik stel me beschikbaar voor bloedtransfusie en transplantatie van mijn nier. Wie is daar meer geschikt voor dan zijn bloedeigen vader?' 

Ik knik, maar mijn hart gaat als een razende tekeer. Dit moment heb ik altijd al gevreesd.

‘Wat ben je stil,' zegt hij. 

‘Laat me maar even.'

‘Ik wil er helemaal voor je zijn, juist nu.'

...

‘Ook wil ik een second opinion. We moeten vechten, Inge, en niet lijdzaam afwachten.'

‘Straks in het restaurant praten we verder.'

Als we onder andere omstandigheden hier zouden zijn, zou ik genieten van deze prachtige plek: bloeiende kastanjebomen en rododendrons. Nu wens dat de bomen kaal zijn; ook de vogels mogen stoppen met hun uitbundige gezang. 

De ober wijst ons een tafel aan bij het raam. De menukeuze laat ik aan Marc over. Honger heb ik toch niet.

‘Inge, onze Paul is door een wonder geboren. Ook toen was alle hoop de bodem ingeslagen. Zullen we hem alsnog verliezen? Dat geloof ik niet; help me alsjeblieft in deze strijd.' 

 

De ober bezorgt het voorgerecht.

‘Pas op, mevrouw, mijnheer, de soep is zeer heet.'

Ik brand mijn tong, maar dat deert me niet. Nu kan ik nog even zwijgen en de illusie in stand houden. Al die jaren hield ik mijn mond om Marc geen pijn te hoeven doen.

 Ik weet dat ik in één klap zijn leven zal verwoesten, als ik hem de waarheid vertel, maar de ziekte van Paul maakt dat ik geen keus meer heb. Een foute beslissing nam ik om Marc in het ongewisse te laten.

‘Inge, waar ben je met je gedachten?'

‘Ik zie steeds Paul voor me in dat ziekenhuisbed: inwit, maar zijn ogen stonden helder. Vol goede moed is hij, terwijl wij weten …'

‘Wij weten niets, ik vertrouw erop dat hij helemaal herstelt. Alles komt goed.'

De ober zet het hoofdgerecht op tafel: voor mij gemarineerde eend en voor Marc een groot stuk biefstuk.

Ik zie hoe hij - ondanks alles - geniet van de maaltijd. 

 

‘Marc, ik heb je iets te zeggen.'

Hij kijkt me verbaasd aan.

Ik barst los en vertel hem alles wat ik jarenlang verzwegen heb. Steeds maar herhaal ik dat ik alleen van hem gehouden heb en dat hij voor Paul de echte vader is.

Ik zie zijn blik veranderen van ongeloof, verbijstering naar woede. Zijn gezicht wordt grauw; nu is hij degene die zwijgt.

Hij staat plotseling op loopt weg. Ik loop hem achterna en pak hem vast:

‘Marc, natuurlijk ben je kwaad, maar laten we nu aan onze zoon denken. Hij heeft ons nu meer nodig dan ooit. 

‘Ik heb geen zoon meer,’ perst hij eruit terwijl hij opstaat en het restaurant uitloopt.

 

@ Nel Goudriaan juni 2017

De vrouw in het bos

De vrouw in het bos 

 

Ik loop met mijn camera door het bos en zie haar vanuit de verte. Ze zit daar helemaal alleen op een bankje bij het water met haar hoofd gebogen. Ze lijkt wel een standbeeld: ik zie geen enkele beweging. Is ze misschien in slaap gevallen?

Langzaam loop ik dichter naar het bankje en zie nu de contouren van haar gezicht. Ik schat haar tussen de dertig en veertig jaar oud. Ze heeft een frêle gezicht, haar lange haren bedekken het voor een deel. Ze draagt rode schoenen met een hoge hak, totaal ongeschikt om mee in een bos te lopen. Ik onderdruk mijn neiging een foto van haar te maken. Door de lens zie ik een surrealistisch beeld, zoals in een schilderij van Hopper.

 

Wat doet deze vrouw hier op dit tijdstip van de dag? Heeft ze geen baan, geen gezin? Zou ze het niet koud hebben: het is een gure herfstdag. Ik verwacht haar eerder shoppend in de binnenstad of in een ruim verlicht kantoor dan hier. Ze is niet gekleed als een vrouw die het gewend is om stil in een bos te zitten. Zou ik haar aanspreken? Iets in mij weerhoudt me daarvan, op een of andere manier jaagt ze me angst aan. Ze straalt een grote afstandelijkheid uit, ze wil duidelijk alleen zijn. Is ze misschien zojuist ontslagen? Nee, dat kan het niet zijn, er is geen enkele emotie zichtbaar op haar gezicht: geen woede, geen wanhoop, niets. Heeft ze zojuist te horen gekregen dat ze ongeneeslijk ziek is en is al haar hoop vervlogen? Dat lijkt me aannemelijker. Maar is er helemaal niemand bij haar die een arm om haar heen kan slaan, juist nu? Het liefst loop ik nu gewoon door en ga verder waar ik mee bezig ben: een serie mooie herfstfoto’s maken, nu het nog kan. Maar dat voelt niet goed. Stel dat ik morgen in de krant lees, dat ...

 

Langzaam beweeg ik me in de richting van de vrouw en blijf vlak voor haar stilstaan. 

‘Mevrouw, gaat het wel met u?’ hoor ik mezelf met een vreemde hoge stem vragen.

Ze slaat haar ogen op en kijkt me aan met een lege blik.

‘Ik maak me ongerust over u, het is veel te koud om zo lang stil te zitten hier.’  

‘Maakt u zich vooral geen zorgen over mij,’ klinkt opeens een zachte stem. ‘Ik zit hier gewoon een beetje te dromen in mijn lunchpauze; straks moet ik weer aan het werk.’

Beschaamd loop ik weg. Mijn fantasie is weer eens op hol geslagen.

 

@Nel Goudriaan 26 november 2017