Schaduwen

De straat oogt nog bijna hetzelfde: aan de linkerkant een rij eiken, rechts de huizen met daarachter de vaart.

Ik blijf staan bij het huis van mijn grootouders en gluur naar binnen. Niets lijkt meer op vroeger. Door de ramen zie ik dat het plaatsje achter het huis is veranderd in een klein tuintje. Ooit schoten daar ratten over de stenen. Schaduwen die me als kind achtervolgden met hun spitse snuit en lange kale staarten.


 Bang was ik ook voor mijn overbuurjongen Harry. Mager, een wit gezicht en altijd dat scheve lachje dat nooit helemaal verdween.   “Hé, daar heb je Brilsmurf,’ riep hij over de straat. Hij wachtte tot de anderen lachten. Daarna keek hij triomfantelijk rond.


 Ik loop verder. De snackbar naast de brug staat er nog. Waar vroeger een brede stoep was, is nu een parkeerplaats.

Het huis van mijn ouders is verdwenen. Het is samengevoegd met het huis ernaast tot één grote, vrijstaande woning.


Mijn benen voelen als lood als ik tegenover het huis van Harry sta. De ramen lijken kleiner dan vroeger.

Ik voel me duizelig en leun tegen een lantaarnpaal.

‘Gaat het wel goed met u?’

Ik kijk op. Naast me staat een man. Zijn gezicht komt me vaag bekend voor.

‘Het gaat wel weer.’

Hij neemt me indringend op. ‘Komt u hier uit de buurt. U heeft zo’n bekend gezicht.’

‘Ik heb hier tot mijn hier zestiende gewoond.’ Ik wijs naar de plek van het huis van mijn ouders.

Zijn ogen lichten op. ‘Dan moet jij Eline zijn. Je droeg vroeger toch een bril?’

Mijn benen trillen.

‘Je herkent me misschien niet meer, maar ik ben Sjoerd. De broer van Harry.’

Ik kijk hem aan en herken hem aan zijn smalle gezicht. Net als zijn broer.


Alles komt in golven: Harry ziek, gefluister van mijn ouders in de keuken, hersenvliesontsteking, zijn plotselinge dood. Witte ballonnen, de begraafplaats. Nacht na nacht, stemmen die schreeuwen: “Jouw schuld. Jouw schuld.” Mijn eigen woorden: “Ik wou dat hij dood was. Dan had ik geen last meer.” De rouwkaart: “Op Zijn tijd heeft de Here tot zich geroepen onze lieve zoon en broer.” Mijn ogen bleven droog. Ik voelde alleen opluchting.


‘Ik was op weg naar zijn graf,’ zegt Sjoerd.

‘Ik ga met je mee.’

We staan voor het kerkhof. Sjoerd duwt het zware hek open. ‘Hij ligt daar onder de beukenboom in de hoek.’

De steen is verweerd, toch zijn de letters nog zichtbaar:


“Voor altijd onze Harry

12 jaar”


 Voor het eerst na al die jaren stromen de tranen langs mijn wangen. Alsof ik niet meer kan stoppen met huilen.

Sjoerd slaat een arm om me heen.

‘We waren kinderen. Geen idee hadden we. Sorry, Brilsmurf …ook namens Harry.‘

Ik kijk naar de steen, naar de letters die langzaam verdwijnen in het mos.

Harry blijft twaalf.

Achter het hek schiet iets door het gras.

Een schaduw met een lange, kale staart.


©️Nel Goudriaan

01-04-2026

De kwal

‘Eén zin,’ zegt hij. ‘Meer niet. Voel, proef, ruik, luister en kijk om je heen.’

De kring zit al in het zand. Leonie blijft aan de rand hangen. Naast de groep ligt iets doorzichtigs, glanzend blauw. De rand zakt langzaam in.


‘De zee schuift de dag van me af,’ zegt een vrouw met natte enkels.

‘Mooi,’ zegt iemand. ‘Je maakt het persoonlijk.’

‘Zout op mijn lippen. Dat is voor mij genoeg,’ zegt een man.

‘Cliché,’ fluistert iemand. De man trekt even met zijn gezicht.

Leonie klemt haar pen vast. Haar notitieblok is nog dicht.

‘Ik tel de golven tot mijn gedachten samenvallen met het ritme,’ zegt een vrouw met een zonnehoed.

Een jongen met opgerolde mouwen leest langzaam voor: ‘Ik wil dat het water me meeneemt, stil en vanzelfsprekend, alsof mijn bestaan daar gewoon in verdwijnt zoals schuim dat niet blijft hangen.’

De stilte valt als een steen. De anderen knikken, een haast ritueel gebaar.

‘Die behoefte aan verlossing door onverschilligheid,’ zegt de man met het tanige gezicht. ‘Dat raakt.’


Leonie kijkt naar haar gesloten notitieblok. De blauwe sliert bij de waterlijn, een kwal, ziet ze nu, is inmiddels half bedolven. Hij vergaat terwijl ze toekijkt. Ze slikt.

‘Leonie?’ Zijn blik blijft op haar hangen. ‘Is het strand niet inspirerend genoeg, of is de realiteit te weerbarstig voor je?’

De hoofden draaien. De zonnehoedvrouw kijkt met nauwelijks verholen genoegen.

‘Ik ben nog aan het voelen,’ brengt ze uit.

‘Voelen is voor amateurs. Schrijvers zetten de werkelijkheid naar hun hand.’ Hij krabt aan zijn baardstoppels. ‘Of ben je hier alleen om te consumeren?’

De jongen met de opgerolde mouwen glimlacht flauwtjes.

Ze legt haar notitieblok op het zand en opent het. Maagdelijk wit.

‘De kwal is dood,’ zegt ze. Haar stem trilt, maar ze kijkt op, recht in zijn ogen. Ze kan niet meer stoppen:‘Doorzichtig, glanzend blauw, en nu ligt hij daar te vergaan. Niemand kijkt ernaar, omdat we allemaal te druk zijn met het verzinnen van zinnen over golven.’

Stilte.

‘Is dit een metafoor voor de groep?’ zegt de man. ‘Een beetje voor de hand liggend, vind je niet?’

Haar angst ebt weg. Wat overblijft is kouder en helderder. ‘Nee,’ zegt ze. Ze kijkt niet meer naar hem, maar naar het water dat onverstoorbaar doorgaat. ‘Het is gewoon een kwal die doodgaat. En ik ben hier niet om het voor jullie mooier te maken.’

Ze pakt haar pen. De inkt vloeit stroef. Ze schrijft niet over zilveren golven. Ze schrijft over de geur van dood zeewier, over de zon die je huid verbrandt terwijl je doet alsof alles in orde is.

Het zand schuurt tussen haar tenen.


©️Nel Goudriaan, 22-04-2026

Pantoffeltijd

Mijn grootmoeder baarde twaalf kinderen, geen enkele deed ertoe, behalve de slungel die besloot mijn vader te worden.

Voor haar was hij nummer vijf uit de rij. Zo’n kind dat je over het hoofd zag. Voor mij was hij de man die ‘s avonds thuiskwam en verwachtte dat het eten op tafel stond. Geen fratsen, maar aardappelen, vlees, jus en weinig groenten. ‘Dat is komijnenvoer.’

De man die verwachtte dat zijn vrouw, mijn moeder, zijn pantoffels klaarzette en ‘s avonds om precies tien uur een koud biertje uit de koelkast pakte. Niet bepaald een vader om een spectaculair verhaal over te vertellen. Tot die ene dag waarop alles veranderde.

Naast zijn bord had mijn moeder een envelop gelegd. In eerste instantie schoof mijn vader hem opzij. Na het eten van zijn toetje las hij de brief hardop voor:

Geachte mijnheer Jansen

In onze zoektocht naar de meest normale man in Nederland zijn we bij u terecht gekomen. U voldoet aan al onze eisen. Uw uitzonderlijk stabiele persoonlijkheid heeft onze jury diep geraakt. Als hoofdprijs mag u een nieuw karakter kiezen:. Wij zullen u bij deze keuze begeleiden en ook bij de implementatie van uw nieuwe karakter.

Van harte gefeliciteerd. We nemen zo spoedig mogelijk contact met u op.

Met vriendelijke groet,

Het Nationale Karakter Bureau

Ik barstte in lachen uit en moest dat bekopen met een pets op mijn gezicht.

Mijn moeder begon omstandig de tafel af te ruimen en was langer dan anders met de afwas bezig.

‘Jij zorgt dat ze er niet inkomen, riep mijn vader naar mijn moeder. Hij schopte zijn pantoffels uit en ging op de bank liggen, nadat hij de brief had verscheurd.

De volgende morgen stonden ze met z’n tweeën voor de deur. Ze droegen beige jassen en hadden een map bij zich.

Mijn vader schoot in zijn kamerjas op hen af en schreeuwde: ‘Wegwezen, ik wil geen nieuw karakter.’

‘Dat zeggen ze allemaal,’ antwoordde de man met de map. ‘Tot ze de mogelijkheden zien. U mag kiezen, hoe extremer hoe beter. We beginnen altijd met een proefkarakter dat u twee weken mag uittesten. Daarna beslist u of u het houdt.’

Hij opende de map. ‘Avontuurlijk is het meest populair. Mensen verlaten hun gezin en reizen bijvoorbeeld naar de Noordpool.’

Mijn moeder liet een bord vallen.

‘En als ik niets kies?’

‘Dan wijzen wij u een willekeurig karakter toe.’

De man bladerde door zijn map en zette een stempel neer.

Tijdelijk karakter: REBELS

‘Rebels?’ riep mijn vader. ‘Doe normaal.’

‘Twee weken op proef,’ zei de man. ‘Meer niet.’

De mannen vertrokken.

‘s Avonds zette mijn moeder om tien uur een koud biertje voor hem neer. Mijn vader nam een slok.

Vervolgens keek hij naar zijn pantoffels. Bedachtzaam schoof hij ze uit. Hij pakte het bier, boog zich voorover en goot het langzaam in de linker pantoffel. Daarna in de rechter.

Mijn moeder verstijfde met de theedoek in haar hand.

‘Wat dóe je?’

Mijn vader keek tevreden naar het schuim dat over de rand liep. 



*Sinds een paar weken schrijf ik verhalen op  de site “Vertelvuur”. 
Elke week een opdracht. De opdracht van deze week luidde: 

“Verzin een verhaal dat begint met de zin:

Mijn grootmoeder baarde twaalf kinderen, geen enkele deed ertoe, behalve de slungel die besloot mijn vader te worden.”
Tony Coppo

Straks

 

De snoeischaar klikt in mijn hand. De hortensia’s dragen nog de verdroogde schermen van vorig jaar, perkamentachtig. Wanneer ik een tak wegknip, valt de broze bloem uiteen. Onder het dode hout zwellen lichtgroene knoppen.

De aarde is zacht geworden. Wanneer ik op het pad loop, ruik ik natte grond, jong sap. Tussen het oude blad staan de krokussen, geel en paars. Achterin staat de prunus in knop. In de border staan de narcissen open. Hun geel snijdt fel door de nog koele lucht.

 

Alles komt terug, maar aan de kapstok binnen hangt zijn jas. Ongebruikt sinds de koudste dag van februari.

Kale hortensiastengels tikten tegen mijn jas. De grond was hard van rijp, de bloemen broos van vorst.

In het hospice besloeg het raam telkens opnieuw. Hij wreef met zijn vinger een kleine opening in het glas en keek naar buiten, naar dezelfde perken.

‘Straks wordt het lente, mam,’ zei hij.

De thee in zijn glas werd koud.

 

Ik knip nog een tak weg. De schaar leg ik neer en ik houd het droge scherm in mijn handen.

Hij had hier vaak geknield met een boekje in zijn handen, op zoek naar namen voor wat er bloeide.

 

Ik kniel bij het perk.

Een vlinder zwenkt laag over de tuin en strijkt neer op de rand van een narcis. Zwart met roestbruine banden. De randen van de vleugels rafelig. Atalanta.

“Ze trekken de hele wereld over,” had hij een jaar geleden nog gezegd. “Soms komen ze van onvoorstelbaar ver.”

De vlinder opent zijn vleugels in de zon.

Achter de schuur tikt water van de regenpijp op een steen. De merel zingt nu voluit. Over de haag glijdt een wind die nog koel is, maar niet meer van de winter.

De atalanta blijft een moment op de narcis zitten.

Dan vliegt hij weg. Hij vangt de wind, stijgt boven de haag en verdwijnt in het bleker wordende blauw.

 

©️Nel Goudriaan 

05-03-2026

De prijs

De prijs  (longlist Verhaal van de Maand februari)

 

Op de ochtend van haar verjaardag kwam Suzan tien minuten te vroeg aan op kantoor. In de gang piepte een schoonmaakkar, de lucht rook naar boenwas.

Ze zette de doos met de slagroomtaart op de tafel in de kantine. Haar collega’s druppelden binnen. Marleen, met haar altijd iets te luide lach, feliciteerde haar als eerste. Bram pakte haar beet. Hij hield haar net even te lang vast. ‘Gefeliciteerd, Suus.’ Daarna kwam Karel, strak in zijn pak. Hij omhelsde haar kort en zei: ‘Ik hoop dat je hier nog lang blijft werken, Suzan.’ Hij keek haar indringend aan en glimlachte. ‘Je bent het geheugen van dit kantoor, Suzan. Zonder jou zouden we nergens zijn.’

Suzans wangen gloeiden.

 

Om tien uur sneed ze de taart aan. Ze verdeelde de punten met de precisie van een chirurg.

Bram nam als eerste een punt. De slagroom bleef aan zijn bovenlip hangen terwijl hij sprak. ‘Hij is weer lekker, Suus. Jij stelt nooit teleur.’

Suzan glimlachte en ging achter haar scherm zitten. Ze genoot van het ritme: inbox leegmaken, agenda’s synchroniseren, facturen koppelen aan budgetcodes. Elk vinkje een klein succes.

Sinds kort zat Lina, de nieuwe stagiaire, tegenover haar. Een meisje van tweeëntwintig dat te snel knikte als Karel iets zei en dat haar lunchpauze doorbracht met het herschrijven van memo’s die al goed waren. Haar vragen verstoorden Suzans routine.

 

Tegen vieren, toen het licht in het kantoor goudgeel werd, kwam Marleen bij haar bureau staan. Ze hield een envelop omhoog. ‘Van ons allemaal. Veel geluk ermee.’

De rest van het team keek toe. Karel grijnsde breed. Bram knikte vanaf zijn bureau. Ze bedankte hen, voelde de dunne envelop tussen haar vingers en schoof hem in haar tas. De cadeaubon van vorig jaar lag nog ergens in een keukenlade.

 

Thuis liet Suzan haar sleutels in het bakje vallen. Ze hing haar jas op, streek de plooien glad en liep naar de keuken om een glas cola in te schenken. Pas toen ze aan de keukentafel zat, opende ze de envelop. Het was niet het matte karton van een cadeaubon, maar wat eruit gleed was slap en glad. Een staatslot.

Ze bekeek de cijfers. De inkt leek bijna te trillen op het dunne papier.

Ze legde het lot op de tafel en nam een slok cola.

 

Die nacht droomde ze dat ze op kantoor zat, maar haar bureau was leeg. Geen toetsenbord, geen scherm, geen pennen. Alleen het staatslot, dat steeds groter werd tot het de hele tafel bedekte.

De volgende ochtend, een zaterdag, checkte ze de uitslag. Ze zat op de bank, haar laptop op schoot. Traag typte ze het lotnummer in, één cijfer tegelijk. Toen drukte ze op “controleren”.

De pagina vernieuwde.

Gefeliciteerd. Uw lot heeft de hoofdprijs gewonnen: €1.000.000.

Ze las het drie keer. Sloot de laptop. Opende hem weer.

Ze wachtte op blijdschap, op opluchting. Maar wat er kwam was iets scherps en kouds; alsof er een deur openging naar een kamer dier ze liever gesloten had gehouden.

Suzan stond op en liep naar het raam. Buiten reed een auto voorbij; een fietser trok zijn sjaal strakker tegen de wind.

Ze liep terug naar de tafel en schoof het lot terug in de envelop, alsof ze een gevaarlijk dier opsloot. Ze stopte de envelop in de la van het dressoir, onder een stapel oude belastingpapieren.

 

Maandagochtend. De busreis voelde eindeloos. Suzan hield haar tas stevig op schoot. Ze had het lot toch meegenomen.

Toen ze het kantoor binnenstapte, hing er een ongewone stilte. Karel stond bij de tafel van Marleen. Zodra de deur achter Suzan dichtviel, draaiden hun hoofden synchroon haar kant op.

‘En?’ vroeg Marleen. Ze glimlachte, maar haar ogen stonden strak.

‘En … wat?’

‘Het lot,’ antwoordde Karel. Hij kwam een stap dichterbij. ‘Zijn we miljonair geworden?’

Suzan verstijfde. We? dacht ze.

‘Ik heb inderdaad iets gewonnen.’ Suzans stem klonk vlak, alsof ze een rapport voorlas.

‘Hoeveel?’ Bram was ook opgestaan. Zelfs Lina keek op, haar ogen groot en onzeker.

‘Een miljoen,’ zei ze.

Het was even doodstil. Toen barstte het gejuich los. Marleen slaakte een kreet en vloog haar om de hals. Karel begon te lachen, een hard, triomfantelijk geluid. ‘Een miljoen!’ riep Bram. ‘Mensen, we kunnen stoppen met werken!’

Bij de lunch schoof Bram zijn stoel dicht tegen de hare aan. ‘Heb je al plannen, Suus? Vergeet niet van wie je dit lot hebt gekregen, hè.’ Hij knipoogde.

Die middag was haar routine veranderd in een mijnenveld. Als Suzan een mail beantwoordde, voelde ze blikken in haar rug. Als ze naar het koffieapparaat liep, hielden gesprekken plotseling op. Aan het eind van de dag stond Marleen bij haar bureau. ‘Ik vind dat je je vreemd gedraagt, Suzan. Alsof je door dat geld ineens niet meer een van ons bent.’

 

De dag daarna zette Suzan twee dozen op de kantinetafel. De geur van versgebakken ciabatta en gerookte zalm vulde de ruimte. ‘Ik trakteer op een lunch.’

De sfeer ontdooide even, maar het duurde kort. ‘Ah, van de traiteur aan de gracht,’ zei Karel terwijl hij een broodje inspecteerde. ‘Dat zijn geen FEBO-prijzen.’

‘Wat kost dat nou?’ vroeg Bram met volle mond.

‘Dat valt wel mee,’ antwoordde Suzan.

‘Meevallen is relatief.’ Karel snoof.  ‘Voor ons is dit een rib uit ons lijf. Voor jou is het kleingeld.’

Toen de dozen halfleeg waren, keek Bram erin. ‘Is dit alles? Ik dacht dat er wel champagne zou zijn.’

Niemand bedankte haar.

Toen Suzan terugliep naar haar bureau, zag ze Lina bij het kopieerapparaat staan. ‘Alles goed?’

Lina schrok op. ‘Ik… Karel zei dat ik de verkeerde versie had geprint. Nu moet ik het opnieuw…’ Haar stem brak. Suzan pakte het papier, zag dat het gewoon de juiste versie was, en legde haar hand even op Lina’s schouder. ‘Dit is goed. Hij vergist zich.’

Later die dag zag ze Karel tegen Lina snauwen over koffie die te lauw was.

 

De rest van die week veranderde de sfeer. Karel schonk voor iedereen koffie in, behalve voor Suzan. Haar digitale agenda werd aangepast; haar naam verdween uit overleggen. Toen ze er een opmerking over maakte, zei Marleen ijzig: ‘We dachten dat je er met je gedachten toch niet helemaal bij zou zijn.’

Vrijdagmiddag riep Bram haar bij zich. Hij wees op een map met cijfers. ‘Jouw prijs verandert de balans in het team. Sommigen voelen zich… achtergesteld.’

‘We hebben een oplossing bedacht,’ zei Marleen, die ongevraagd binnenkwam. Ze legde een document op tafel alsof het een menukaart was. ‘Een soort… solidariteitsfonds. Als jij de helft van je prijs op deze rekening stort, zorgt Bram voor een eerlijke verdeling. Jij houdt dan een half miljoen over. Meer dan genoeg voor een vrouw alleen.’

‘Dan houden we de sfeer zuiver en jij behoudt je winst. Een win-win situatie.’ Bram lachte breeduit.

Suzan keek van Bram naar Marleen. Ze zag hun gezichten zoals ze de cijfers in haar bestanden zag: alles moest kloppen, zolang zij de tekorten maar aanvulde. Het lot was een cadeau geweest, maar de rekening die ze nu presenteerden was te hoog.

‘Ik denk erover na,’ zei ze.

Bram knikte tevreden. ‘Neem het weekend ervoor. Maandag praten we verder.’

Haar knieën trilden toen ze opstond.

 

Tijdens het weekend zat Suzan tot laat achter haar laptop. Het lot lag naast haar op de bank, een slap strookje papier dat alles wankel maakte. In de stilte van haar woonkamer dacht ze: waarom ook niet? Een half miljoen was nog steeds een fortuin. Als ze zou tekenen, zou de sfeer op kantoor maandag weer warm zijn. Karel zou haar weer omhelzen, Bram zou weer grappen maken en de ijzige blik van Marleen zou ontdooien. Misschien was dat de prijs van vriendschap. Misschien was het niet meer dan eerlijk om te delen in het geluk dat zij haar in handen hadden gespeeld.

Met een zucht opende ze de bestanden die ze jaren had bijgehouden.

Nu las ze die met andere ogen.

Karels declaraties voor etentjes op avonden waarop hij volgens zijn agenda op kantoor zat. Marleens dubbele kilometervergoedingen. Brams creativiteit met overuren. Ze vond een declaratie van Karel voor een diner in Parijs op een donderdag waarop hij officieel ziek thuis was geweest. Ze vond Marleens claim voor een zakelijke reis naar Rotterdam: twee keer ingediend, twee keer uitbetaald.

Ze printte alles. Stak het in een map. Maandagochtend zou ze naar de directie gaan. Met de cijfers. Die spraken voor zich.

 

Maandagochtend. Op haar bureau lag een crèmekleurig blad met een pen ernaast. ‘We moeten dit afronden,’ riep Marleen vanuit de deuropening. Het hele team stond achter haar. Zelfs Lina, die naar haar schoenen keek.

Suzan ging zitten. Ze keek niet naar het papier, maar naar de gezichten in de deuropening: de gespannen kaak van Marleen, de vinnige blik van Karel, de onrustige handen van Bram.

‘En?’ vroeg Marleen. ‘Teken je?’

Suzan schoof het papier opzij. ‘Ik heb nagedacht over het fonds dat Bram voorstelde. Mijn antwoord is kort en duidelijk: nee.’

Bram werd bleek. ‘Je weigert mee te werken aan een goede werksfeer? Je houdt egoïstisch alles voor jezelf?’

Karel viel hem bij. ‘Dit had ik nooit van jou verwacht. Geen greintje solidariteit. We zijn toch een team.’

‘Precies,’ antwoordde Suzan. Ze opende haar tas en haalde de dossiers eruit die ze die nacht had verzameld.

Het bleef stil. Bram schoof ongemakkelijk van zijn ene op zijn andere voet.

‘Wacht,’ zei Karel. Zijn stem klonk anders nu. Zachter. ‘Suzan, luister. We hebben dit verkeerd aangepakt. Dat geef ik toe.’ Hij wreef over zijn gezicht. ‘Ik was gewoon… jaloers, denk ik. Jij wint zomaar een miljoen en wij… ik heb een tweede hypotheek, Suus. Marleen heeft schulden. We dachten …’

‘Dat je het zou begrijpen,’ vulde Marleen aan.

Lina staarde nog steeds naar de grond.

‘Nogmaals, ik deel geen cent van het miljoen met jullie.’

Ze stond op en pakte haar tas. ‘Ik heb mijn ontslag ingediend. De directie heeft een kopie van de administratie die ik altijd heb bijgehouden. De overuren die nooit zijn gemaakt, de privé-lunches, de dubbele declaraties.’

Het gezicht van Karel werd asgrijs. Marleen opende haar mond, maar er kwam geen geluid.

‘Dat is mijn cadeau aan jullie: eerlijkheid. Alles wordt uitgezocht. Tot op de laatste cent.’

Ze liep op de groep toe. Ze weken uiteen als een openslaande deur. Alleen bij Lina bleef ze staan. Het meisje trilde. Suzan drukte een briefje in haar hand. ‘Jij komt niet in de dossiers voor, Lina. Zoek een andere werkplek. Bel me over een week.’

Zonder om te kijken liep ze de gang door.

 

Buiten haalde Suzan haar telefoon tevoorschijn. Ze scrolde naar het nummer van de directie en stuurde een kort bericht: “De dossiers liggen klaar. Ik ben beschikbaar voor vragen.” Ze drukte op verzenden en keek naar de lucht, waar de wolken uiteendreven.

Ze liep naar huis. De wind was koud, maar ze had haar jas goed dichtgeritst. Halverwege stopte ze bij een bakkerij. In de etalage lag een slagroomtaart. Voor het eerst in drieëntwintig jaar kocht ze er een voor zichzelf.

 

Nel Goudriaan, 20-01-2026

Jurycommentaar

Jo

De hoofdpersoon wint een grote prijs op een lot dat ze gekregen heeft van haar collega’s. Daarna verandert alles op kantoor. Ze neemt wraak. Het is een leuk verhaal, niet heel diepgaand, maar gewoon leuk om te lezen. Het leest prettig, inhoudelijk is er over nagedacht en het klopt volledig.

 

RV

Geestig en luchtig verteld verhaal waarin op knappe en zorgvuldige wijze verteld wordt hoe een vrouw weerstand weet te bieden aan de hebzucht van haar collega's en uiteindelijk voor zichzelf en haar eigen toekomst kiest. De dialogen zijn hier en daar wat houterig (bewust zo gedaan, misschien, om de strakke verhoudingen op de werkvloer te accentueren?) en sommige personages 'flat characters', maar dat mag de pret voor het narratief en het plot verder niet echt drukken. Wat overblijft is een vermakelijk en boeiend verhaal, waarin de spanningsboog handig wordt vastgehouden tot aan het einde (ontknoping). Prettige leeservaring!

 

Al

Goed geschreven verhaal, met Jiskefetachtige elementen. Het stukje over het winnen van de prijs had meer aandacht mogen krijgen, dat is een groots moment en een keerpunt in het leven van de hoofdpersoon. De ontwikkeling van uiterst loyale werknemer naar iemand die inziet dat de relatie met haar collega's niets meer is dan gebakken lucht gaat wat snel. Als dit meer ruimte zou krijgen, wordt het geloofwaardiger. Verder een erg leuk en vlot geschreven verhaal, met een fijn einde.

 

Blikken

Blikken (longlist Verhaal van de Maand januari) 

 

Nog voordat Leonora een zitplaats in de bus heeft gevonden, begint het staren, het ongegeneerde kijken, de blikken die te lang blijven hangen. Daar gaan we weer.

Ze schuift de buggy met haar oudste naar de aangewezen plek. Haar dochtertje hangt warm tegen haar borst, donkere krullen tegen haar schouder.

‘Mama, mama,’ brabbelt ze.

Dan is er de smeltlach. Altijd eerst de smeltlach.

‘Wat schattig.’ Een oudere vrouw kijkt naar haar zoontje, dan naar haar dochtertje. Ze aarzelt, glimlacht dan iets onzekerder.

‘Ze zijn allebei prachtig, hoor.’

Leonora glimlacht terug.

 

Een man met een sporttas gaat tegenover haar zitten. Hij kijkt, rekent, concludeert. Ze ziet het gebeuren. Ze kent deze volgorde.

‘Zo … zijn ze allebei van u?’

Ze ademt langzaam uit. ‘Ja.’

‘Zijn ze van dezelfde vader?’

De tas glijdt van zijn knie. Hij wacht.

‘Dat gaat u niets aan.’

Hij verschiet van kleur, kijkt de bus rond alsof hij medestanders zoekt. Schudt zijn hoofd, mompelt iets wat klinkt als “het was gewoon een vraag”.

Haar hart bonst. Misschien was het gewoon een vraag. Misschien ben ik te …. Nee. Waarom zou ik beleefd blijven?

De bus rijdt verder.

 

Een jongen met een rugzak stapt in, werpt een blik op haar kinderen, gaat staan bij de uitgang. Meer niet. Leonora voelt haar schouders iets zakken.

Bij de volgende halte stapt een oude man in. Hij leunt zwaar op zijn stok, zijn jas hangt open. Hij heeft moeite met het opstapje. Iemand schiet toe, helpt hem. Hij knikt dankbaar, schuifelt naar een zitplaats. Ziet haar dan en stopt.

‘Mooi stel kinderen.’ Zijn gezicht vriendelijk, vermoeid. ‘Prachtig om te zien.’

Leonora knikt. ‘Dank u.’

‘Mijn kleinzoon komt uit Colombia,’ vervolgt hij. ‘Geadopteerd. Mijn dochter… nou ja, het was een heel proces. Duur ook.’ Hij glimlacht, legt een hand op zijn stok. ‘Waar komt zij vandaan?’

Zijn stem klinkt oprecht geïnteresseerd. Bijna warm.

Leonora’s adem stokt. Ze voelt haar hart bonzen tegen haar dochters wang.

De man wacht even, knikt dan begrijpend. ‘Nee, sorry, dat is natuurlijk privé. Waar bemoei ik me mee.’ Hij glimlacht verontschuldigend. ‘Mooi gezin heb je.’ Hij schuifelt door, zijn stok tikt op de vloer.

Leonora kijkt naar haar handen op de buggy. Wit, gespannen. Waarom zei ik niets? Waarom kan ik het niet uitleggen zonder… Ze haalt diep adem. Zonder wat? Zonder boos te worden? Zonder te huilen?

 

Bij de volgende halte stormen scholieren naar binnen. Een meisje buigt zich over de buggy.

‘Oh my god, zo cute!’ Ze wenkt haar vriendin. ‘Kijk, dat jongetje is helemaal blond. En dat meisje… wow, wat een verschil.’

De vriendin pakt haar telefoon. ‘Mag ik een foto van ze maken? Voor Insta?’

‘Nee, dat wil ik echt niet.’

‘Oh oké, sorry.’ Het meisje giechelt. ‘Maar echt, zijn ze allebei van jou? Hoe werkt dat dan?’

Leonora zegt niets. De meisjes lopen door, fluisteren, lachen.

 

De bus remt hard bij een rood licht. Haar dochtertje klemt zich vast en begint te huilen. ‘Stil maar, Tabitha, het is allemaal oké.’

Haar zoontje laat zijn knuffel vallen.

Leonora bukt, raapt het konijn op en geeft het terug. ’Kan gebeuren, Sem.’ Ze aait hem over zijn zachte haar.

Een vrouw met een overvolle boodschappentas kijkt op. ‘Oh, wat is ze schrikachtig. Dat is…’ Ze zoekt naar woorden. ‘Dat is wel logisch; denk ik. Als ze uit zo’n ander land komen, al die veranderingen …’

Mens, houd je kop. De chauffeur remde te hard.

Leonora’s kaken klemmen op elkaar. Ze voelt de woorden opstapelen in haar keel. Elk kind schrikt van harde remmen. Maar bij mijn Tabitha moet het meteen een trauma zijn.

‘Ze is gewoon moe,’ zegt Leonora. Haar stem vlak.

‘Oh ja,’ De vrouw knikt snel. ‘Natuurlijk.’

De bus rijdt verder. Stoplichten, straten, mensen die in- en uitstappen. De sporttasman zit er nog steeds. Hij kijkt af en toe naar haar, naar de kinderen. Blijft iets te lang hangen met zijn blik. Leunt dan naar voren.

‘Sorry van daarnet,’ zegt hij. Zacht, oprecht. ‘Ik had dat niet moeten vragen. Over die vader, bedoel ik.’

Leonora kijkt op. Verrast.

‘Maar,’ hij aarzelt, ‘ik ben wel nieuwsgierig hoe zo’n adoptie werkt. Moet je daarop lang wachten? Is dat heel ingewikkeld?’

Hij heeft spijt betuigd. En nu stelt hij dezelfde vraag opnieuw, alleen anders verpakt.

Leonora staat op. Te snel. De buggy stoot tegen zijn knie.

‘Sorry,’ mompelt ze automatisch.

‘Geeft niet, maar echt…’

‘Het zijn mijn kinderen. Allebei.’ Ze spuugt de woorden bijna uit.

De sporttasman deinst terug.

‘Mijn. Kinderen.’ Ze draait zich wild om naar de rest van de bus, haar blik schiet van de een naar de ander. ‘Luisteren jullie ook even mee?’

De vrouw met de boodschappentas kijkt op van haar telefoon.

‘En u? U of die meneer daar, jullie hadden het over duur, toch? Dat het allemaal zo duur is?’

Leonora graait in haar jaszak, haar vingers trillen, ‘Wilt u het bonnetje zien? Of het garantiebewijs?’

‘Mevrouw, rustig, zo bedoelde ik het niet.’

‘Nee, natuurlijk niet!’ Leonora’s stem galmt door de bus. Te schel, te hard. Tabitha begint nu echt te huilen, een aanzwellend, angstig geluid, maar Leonora kan niet stoppen. Het deksel is van de put.

‘Jullie bedoelen het zo goed. Zo lekker nieuwsgierig. "Zijn ze van dezelfde vader?" "Hoe werkt dat?"’ Ze zet een overdreven, nuffige stem op die overslaat.

De oude man kijkt haar aan met grote, bange ogen. Hij drukt zijn rug tegen de zitting.

‘Het is een tweeling,’ snauwt ze tegen hem. ‘Gewoon. Een tweeling. Zwart en wit. Twee eitjes, één buik. Boem. Klaar.’ Ze kijkt de kring rond. ‘Twee halen, één betalen.’

Haar hart hamert in haar keel. Ze voelt zich misselijk van de adrenaline.

‘Nu snappen jullie het niet meer, hè?’ roept ze fel. ‘Nu past het niet meer in een hokje.’

De stilte is verstikkend. Iemand kucht. De jongen verderop staart naar zijn schoenen.

Leonora grijpt de duwstang van de buggy zo stevig vast dat haar knokkels wit zien. Ze trilt over haar hele lijf. Wat doe ik? Ik sta te schreeuwen tegen bejaarden. Ik maak mijn eigen kinderen bang.

 

De deuren sissen open.

Ze wurmt zich naar buiten. Haar schouder schampt langs de deurpost. Ze voelt tranen branden.

Haar benen wankelen, maar ze loopt door. Achter haar sluit de bus. Door het raam ziet ze de oude man nog zitten, zijn hand op zijn stok, zijn hoofd gebogen.

Tabitha brabbelt iets, reikt naar haar gezicht. Leonora buigt zich over de buggy, veegt een traan weg. Haar handen trillen.

‘Mama verdrietig?’ vraagt Sem vanuit de buggy.

Ja. Mama is verdrietig. En boos. En moe.

‘Nee lieverd. Mama is… mama is oké.’

Morgen zit die man er weer. Misschien. En hij zal zijn hoofd afwenden.

Morgen zijn er anderen. Elke dag opnieuw.

‘Jullie hoeven niks uit te leggen,’ fluistert ze tegen haar kinderen. ‘Nooit.’

Ze loopt weg van de halte, de buggy ratelt over de stoeptegels. De bus vertrekt. Morgen zal ze weer instappen voor dezelfde rit.

Tabitha legt haar hoofd tegen haar schouder. Warm. Vertrouwend.

 

Nel Goudriaan, 17-12-20

 

De kortere versie: 

 

Nog voordat Leonora een zitplaats in de bus heeft gevonden, begint het staren. Het ongegeneerde kijken, de blikken die net iets te lang blijven hangen. Daar gaan we weer.

Ze schuift de buggy met haar oudste naar de aangewezen plek. Haar dochtertje hangt warm tegen haar borst, donkere krullen tegen haar schouder.

‘Mama, mama,’ brabbelt ze.

Dan is er de smeltlach. Altijd eerst de smeltlach.

‘Wat schattig.’ Een oudere vrouw kijkt van haar zoontje naar haar dochtertje. ‘De een zo donker en de ander zo licht.’ Haar glimlach hapert even. ‘Ze zijn allebei prachtig, hoor.’

Leonora glimlacht beleefd terug. 

 

Een man met een sporttas gaat tegenover haar zitten. Hij kijkt, rekent, concludeert. Ze ziet het gebeuren. Ze kent deze volgorde.

‘Zo… zijn ze allebei van u?’

Ze ademt langzaam uit. ‘Ja.’

‘Van dezelfde vader?’

De tas glijdt van zijn knie. Hij wacht.

‘Dat gaat u niets aan.’

Hij knikt langzaam, alsof hij haar antwoord weegt.

‘Ja, nee, snap ik hoor,’ zegt hij. ‘Tegenwoordig is alles ingewikkeld.’

Iets in haar borst trekt samen. Hoezo ingewikkeld? Wat begrijpt deze man van haar? 

 

De bus rijdt verder.

Bij de volgende halte stapt een oude man in. Hij leunt zwaar op zijn stok, zijn jas hangt open. Iemand helpt hem bij het opstapje. Hij knikt dankbaar en schuifelt naar een zitplaats. Dan ziet hij haar. Hij blijft staan.

‘Mooi stel kinderen,’ zegt hij. Zijn stem vriendelijk, vermoeid. ‘Prachtig om te zien.’

Leonora knikt. ‘Dank u.’

‘Waar komt zij vandaan? Mijn kleinzoon komt uit Colombia,’ vervolgt hij. ‘Geadopteerd. Mijn dochter… nou ja, het was een heel proces. Duur ook.’ Hij glimlacht even.

‘Dan is het voor haar vast ook verwarrend,’ zegt hij. Hij wijst even naar de donkere wangen van haar dochtertje.  ‘Die verschillende werelden.’

Haar adem blijft hoog in haar borst steken.

‘Maar dat is natuurlijk privé,’ voegt hij eraan toe. ‘Waar bemoei ik me mee.’

Hij schuifelt verder. Zijn stok tikt op de vloer.

Leonora kijkt naar haar handen op de buggy. Ze drukt haar vingers tegen elkaar tot ze wit zien.

Hij bedoelde het goed. Dat maakt het erger.

 

De bus remt hard bij een rood licht. Haar dochtertje schrikt en begint te huilen.

‘Stil maar, Tabitha. Het is oké.’

Haar zoontje laat zijn knuffel vallen. Leonora bukt, raapt het konijn op.

‘Kan gebeuren, Sem.’ Ze aait hem over zijn zachte haar.

Een vrouw met een overvolle boodschappentas kijkt naar Tabitha.

‘Logisch dat ze huilt,’ zegt ze. ‘Dit soort kinderen is overgevoelig voor plotselinge veranderingen.’

Leonora recht haar rug.

‘Mijn dochter is gewoon moe,’ zegt ze. Haar stem klinkt vlak, bijna vreemd in haar eigen oren.

‘Oh ja. Natuurlijk.’ De vrouw knikt. 'Maar toch ...' 

 

De bus rijdt verder. Stoplichten. Straatnamen. Mensen die in- en uitstappen.

De man met de sporttas zit er nog steeds. Hij kijkt opnieuw. Zijn blik blijft hangen. Te lang. Dan buigt hij iets naar voren, zijn stem vertrouwelijk.

‘Sorry van daarnet,’ zegt hij. ‘Dat had ik niet moeten vragen.’

Leonora kijkt op. Ze voelt een kort, verraderlijk moment van opluchting.

‘Ik ben gewoon benieuwd hoe dat werkt,’ gaat hij verder. ‘Zo’n adoptie. Moet je daar lang op wachten? Is dat ingewikkeld?’

Haar adem stoot tegen haar ribben. Dit is dezelfde vraag. Alleen netter verpakt.

Leonora staat op. Te snel. De buggy stoot tegen zijn knie.

‘Sorry,’ mompelt ze automatisch.

‘Geeft niet, maar ...’

‘Het zijn mijn kinderen. Allebei.’

Haar stem snijdt door de bus. Ze draait zich om. Haar blik schiet van gezicht naar gezicht.

‘Luisteren jullie ook even mee?’

De vrouw met de boodschappentas kijkt op van haar telefoon.

‘U had het over duur, toch?’ zegt Leonora. Haar vingers trillen als ze in haar jaszak graait. ‘Wilt u het bonnetje zien? Of het garantiebewijs?’

‘Mevrouw, rustig!’

‘Nee, natuurlijk niet!’ Haar stem galmt. Te hard. Te schel. Tabitha begint nu echt te huilen, maar Leonora kan niet stoppen. Het deksel is van de put.

‘Jullie bedoelen het zo goed. Zo nieuwsgierig.’

Ze zet een overdreven, nuffige stem op. ‘“Van dezelfde vader?” “Hoe werkt dat?”’

De oude man drukt zijn rug tegen de zitting. Zijn ogen groot.

‘Het is een tweeling,’ snauwt ze. ‘Gewoon. Een tweeling. Zwart en wit. Twee eitjes, één buik. Boem. Klaar.’

Ze kijkt de kring rond. ‘Twee halen, één betalen.’

De stilte is dik. Iemand kucht. Iemand staart naar zijn schoenen.

Leonora grijpt de duwstang zo stevig vast dat haar knokkels wit zien. Ze trilt over haar hele lijf.

Wat doe ik. Ik maak mijn eigen kinderen bang.

De deuren sissen open.

Ze wurmt zich naar buiten. Haar schouder schampt langs de deurpost. Achter haar sluit de bus.

 

Tabitha legt haar hoofd tegen haar schouder. Warm. Vertrouwend.

Leonora blijft staan bij de halte, ook als de bus al uit zicht is.

Ze denkt aan morgen. Aan dezelfde rit. Aan weer andere blikken.

Ze buigt zich over de buggy en trekt haar jas dichter om haar kinderen heen.

‘Jullie hoeven niks uit te leggen,’ fluistert ze. ‘Nooit.’

Ze loopt weg.

Achter haar is de halte leeg.

 

Nel Goudriaan, 10-01-2026

 

 

 

 

 

Wat ontbreekt

 

De ronde eikenhouten tafel staat in het midden van de kamer met daarop een linnen tafelkleed. Ze heeft het vanmiddag gestreken. In het lamplicht zijn de zachte vouwen nog zichtbaar. Met haar vlakke hand probeert ze het kleed glad te strijken, maar de vouwen blijven.

Ze plaatst de drie borden op exacte afstand van elkaar. De kristallen glazen, waarin het licht in kleine prisma’s breekt, staan rechts. Het bestek legt ze kaarsrecht naast de borden. Vork links, mes rechts, de snijkant naar de binnenkant gekeerd. Ze schuift één mes een fractie opzij. De servetten zijn keurig in driehoeken gevouwen.

Ze loopt een laatste ronde om de tafel. Bij elke stoel blijft ze even staan, een inspectie zonder woorden. Pas dan haalt ze de dampende schalen uit de keuken.

Haar man gaat al zitten. Het schrapen van de stoelpoot op de vloer snijdt door de stilte. Het kind volgt zijn voorbeeld. Waarom wachten ze niet tot zij ook zit? De onrust laait kort op in haar borst. Opnieuw dwalen haar ogen over de tafel. Naar de rand van het kleed, naar de lege ruimte tussen bord en glas. Er ontbreekt iets. De leegte daar lijkt bijna vorm te krijgen, maar ze kan er de vinger niet op leggen.

‘Eet smakelijk,’ zegt ze. Haar stem klinkt beheerst, een aangeleerde toonhoogte.

 

De maaltijd begint. Haar man schept op met een vanzelfsprekendheid die haar benauwt. Hij deelt het vlees uit en giet de jus precies over de kuiltjes in de aardappelen. Hij vertelt over een stagiaire op kantoor die vergat koffie te bestellen.

‘Drie dagen,’ zegt hij, terwijl hij zijn mes door het vlees zet. ‘Drie dagen zonder koffie. Hoe moeilijk is het om vooruit te denken? Ze heeft bijna niets te doen en zelfs dan vergeet ze iets.’

Het kind grinnikt. Zij knikt op de juiste momenten en laat een lach horen wanneer het verhaal daarom vraagt. Vanbinnen briest ze. Ze denkt aan de rollen wc-papier in de kast, de sneetjes brood in de trommel, de centimeters die de voeten van het kind zijn gegroeid waardoor zijn schoenen knellen. Dingen die niemand ziet, totdat ze er niet meer zijn. Wie vult ze aan? 

‘Hoe was jouw dag?’ vraagt hij tussen twee happen door.

‘Goed. Druk,’ antwoordt ze.

‘Wat heb je gedaan?’

Haar lijst: twee wassen gedraaid, de overhemden gestreken, zijn  tandartsafspraak verplaatst, de boodschappen gedaan.

‘Van alles,’ zegt ze alleen.

Het kind laat zijn mes vallen. Het geluid breekt de stilte. Hij schrikt op, maar zijn vader raapt het mes al op, veegt het achteloos af aan zijn servet en legt het terug. ‘Geeft niet. Volgende keer beter opletten.’

Alles gaat door. Het schrapen van de vorken op borden, zijn relaas over het project dat vertraging oploopt, het verhaal van de jongen over gymles. 

De aardappelen smaken naar karton. Haar vingers strijken weer over het tafelkleed. Steeds dezelfde plek. Steeds die lege ruimte naast het bord.

 

Dan ziet ze het. De dessertlepels ontbreken. Ze liggen nog in de lade.

Haar adem stokt. Het voelt als een scheur in een dragende muur.

‘Zal ik afruimen en het dessert halen?’ vraagt haar man.

‘Ja,’ zegt ze te snel.

Hij komt terug met de schaaltjes. Eén, twee, drie. Vla met rode vruchten, op de juiste temperatuur. Hij zet ze neer op de lege plekken naast de borden. De plekken waar geen lepels liggen.

Niemand zegt iets. De stilte in de kamer wordt dik, stroperig.

‘Ik… Er zijn geen lepels,’ zegt ze. Haar keel voelt alsof er zand in zit.

Haar man glimlacht. Zij kent die glimlach: het je is dat lachje dat het midden houdt tussen toegeeflijkheid en ongeduld. ‘Ik pak ze wel.’

‘Nee.’

Het woord valt als een steen in het water. Het kind kijkt met grote, stille ogen naar haar op. Ze staat op, haar stoel schuurt over de vloer, en loopt de keuken in. Ze plant haar handen plat op het aanrecht. Het graniet is koud, maar de hitte in haar gezicht trekt niet weg.

‘Mama?’ roept het kind benauwd.

‘Wil je dat ik ze anders even …’ roept haar man vanuit de kamer.

‘Hou op,’ zegt ze tegen de tegels boven het aanrecht. Ze draait zich om en loopt terug. Haar gezicht staat strak, als een masker dat te lang gedragen is. 

Het masker scheurt. Haar gezicht kan het niet langer dragen. 

‘Hou op met doen alsof dit klein is. Alsof het gaat om wat er nú misgaat. Het gaat nooit om nu.’

Ze staat weer bij de tafel. Haar hand zweeft boven het gestreken linnen.

‘Ik was hier al die tijd op deze plek. Altijd zorgend dat niemand iets tekortkomt, dat niemand hoeft te wachten.’ Ze kijkt haar man recht aan. ‘Weet je hoe vaak ík wacht? Niet op grote wonderen. Maar op de rust die pas komt als ik alles voor jullie heb geregeld. Op het moment dat ik niet meer de enige ben die overal op let.’

Haar hand trilt. Ze pakt een schaaltje vla.

‘En dan zeg jij: ik haal ze wel. Alsof ik gewoon iets vergeten ben. Alsof de wereld weer goed is als die lepels er liggen.’

Ze laat het schaaltje los. De klap is bevrijdend. Porselein spat in witte splinters over de vloer; de rode vruchten trekken een spoor van bloed over de tafelpoot. Het kind begint te huilen. Haar man doet een stap naar voren en verstijft.

Haar hart bonst, maar haar hoofd is voor het eerst in jaren helder.

‘Ik wil niet meer degene zijn die alles opvangt voordat het breekt,’ zegt ze, wijzend naar de ravage. ‘Kijk dan. Dit is niet van vandaag.’

Ze bukt niet. De reflex om te poetsen is gedoofd.

‘Ruim jij het maar op,’ zegt ze koud. ‘Of laat het desnoods liggen. Het maakt me niet meer uit.’

Ze draait zich om. Met haar blote hiel trapt ze op een scherf. Ze loopt door en sluit de deur met een klap die nazindert. 

De tafel blijft achter. Met de vlekken, de scherven en een leegte die eindelijk woorden heeft gekregen.

 

Nel Goudriaan, 03-01-2026

 

Verzwijgen

 

Lucas had het café gekozen. Margaretha zat tegenover hem aan een van de kleine tafeltjes en omklemde haar kopje met twee handen. Achter de toonbank stonden de glazen in onberispelijke rijen opgesteld.

Het was hun eerste ontmoeting sinds hij op kamers woonde. Lucas roerde traag in zijn koffie.

Ze nam een slok en zette het kopje zorgvuldig terug op het schoteltje.

‘Ik had gehoopt je kamer te zien,’ zei ze. ‘Maar dit is ook prima hoor,’ voegde ze er haastig aan toe.

Lucas keek even op en knikte. ‘Er is daar niet veel bijzonders te zien,’ zei hij.

Margaretha glimlachte. Het was geen afwijzing, hield ze zichzelf voor.

Ze tikte met haar lepel tegen het porseleinen kopje. Het geluid klonk scherp.

Ze liet haar blik over zijn handen glijden. Ze leken groter dan ze zich herinnerde, de knokkels scherper afgetekend. Zijn vingers bewogen anders. Langzamer. Beheerster. Het lepeltje draaide in kleine, precieze cirkels.

‘Hoe was de reis?’ vroeg ze.

‘Goed.’

Ze knikte. Wachtte. 

‘En de studie?’

‘Ook goed.’

De koffie smaakte bitter. Ze nam nog een slok. Schoof het kopje van zich af.

Lucas staarde naar het raam, alsof daar iets was dat zijn aandacht meer verdiende.

‘Hoe gaat het eigenlijk?’ vroeg Margaretha. Ze hoorde zelf hoe voorzichtig ze het zei.

Lucas haalde zijn schouders op. ‘Goed.’

Dat antwoord kende ze. Zijn  manier om een gesprek af te sluiten in plaats van te openen.

‘Je klinkt… rustig,’ zei ze, en zodra ze het woord uitsprak, wist ze dat het niet het juiste was.

Lucas liet het lepeltje los. ‘Dat is toch juist goed?’ zei hij.

‘Ja. Natuurlijk.’ Ze glimlachte te snel. ‘Ik bedoel alleen …’

‘Mam,’ zei hij, niet hard, maar wel scherp genoeg om haar te stoppen.

Ze zweeg. Zijn blik was weer op de tafel gericht. Margaretha voelde hoe haar wangen gloeiden. Ze dacht aan alles wat ze had willen zeggen om de ruimte tussen hen te overbruggen.

‘Zullen we anders even een stukje lopen? Het is hier nogal benauwd.’

Lucas knikte na een korte aarzeling. ‘Is goed.’

 

Buiten was het stiller dan ze had verwacht. De lucht was fris, de straat glansde nog van een regenbui.

Lucas liep een halve stap voor haar, zijn handen diep in zijn zakken. Ze paste haar tempo aan.

Aan de overkant stak een jongen zijn hand op. ‘Hé, Lucas!’

Lucas’ blik verstrakte. Hij groette met een kort knikje en keek direct weer naar de grond. De jongen liep fluitend door.

Margaretha voelde de oude kou in haar nek. Ze kende die snelle, ontwijkende beweging.

‘Een vriend?’ vroeg ze.

‘Van mijn studie,’ zei hij kortaf. Zijn pas versnelde.

Ze liepen verder langs de glimmende gevels. Het ritme van hun schoenen op de natte stoep was het enige geluid. Margaretha wilde iets zeggen over de regen, de stad, iets veiligs. De woorden stierven in haar keel.

‘Je loopt anders,’ flapte ze eruit.

Lucas keek opzij. ‘Hoezo anders?’

‘Rustiger.’

Ze zocht zijn blik, maar hij staarde strak naar de natte klinkers. Ze beet op haar lip tot ze metaal proefde.

 

Een bus reed voorbij. Het geluid van de banden op het natte asfalt deed hen beiden opzij springen, onhandig dicht bij elkaar. Margaretha voelde een warmte langs haar arm trekken, een herinnering aan toen hij als kind altijd dicht tegen haar aankroop bij onverwachte geluiden. Ze glimlachte flauwtjes.

Ze keek omhoog naar de lantaarns die in de natte straat spiegelden. Het voelde alsof ze iets samen deelden, al was het alleen de stilte en het wandelen naast elkaar.

Ze liepen verder. Margaretha hoorde zichzelf praten: over de regen, over hoe mooi de stad er na regen uitzag, over niets eigenlijk. Lucas reageerde niet meer. Zijn kaken stonden strak. Ze kende die uitdrukking.

Ze hield op met praten.

 

Lucas stopte. Margaretha keek op. Een etalageruit, de winkel gesloten. Hij bleef staan, zijn blik op het glas gericht. Margaretha keek mee. Alleen hun spiegelbeeld, verder niets.

De stilte tussen hen was fragiel. Margaretha hield haar handen strak om haar buik geklemd.

Lucas’ blik bleef op het glas gericht. Zonder haar aan te kijken zei hij: ‘Waarom zei je weer dat ik rustiger was?’

‘Het zijn je ogen.’ Ze slikte. ‘Meer gefocusseerd. Je kijkt niet meer zo… zoekend om je heen.’

Zijn mond trok scheef. Zijn handen sloten zich tot vuisten.

‘Zeg het dan,’ zei hij.

Margaretha bleef stil.

‘Zeg gewoon eens gewoon wat je denkt,’ ging hij verder. ‘Dat ik weer gebruik.’

‘Ik probeer te begrijpen wat ik zie.’

‘Nee,’ zei hij. ‘Dat doe je niet. Dat deed je nooit. Je probeerde me niet te begrijpen. Je trok alleen maar conclusies. Zoals je altijd deed.’

Hij wees met zijn kin in de richting waar de jongen was verdwenen. ‘De manier waarop je keek toen een vriend van me langsliep zegt me genoeg.’

‘Dat is niet …’

‘Hij onderbrak haar. ‘Zo begon het altijd. Eerst dat kijken. Dan die vragen. Dan stilte. Nooit benoemde je iets. Alleen die stille verwijten.’

Margaretha voelde hoe haar adem hoog zat. ‘Ik probeer …’

‘Je probeert me in de gaten te houden,’ zei hij. Zijn stem bleef vlak. ‘Ik ken die blik van je maar al te goed.’

Ze zweeg. 

‘Daarom ben ik weggegaan,’ zei hij. ‘Dit wilde ik niet langer.’

Hij stapte achteruit, één pas, genoeg om afstand te maken.

Margaretha bleef staan. Ze voelde een plotselinge drang om hem aan te raken. Alsof hij elk moment kon oplossen in de lucht tussen hen.

‘Lucas,’ begon ze, maar haar stem klonk vreemd, dun, alsof ze hem van ver riep.

Ze zocht naar woorden die hem konden bereiken. Neutrale, veilige zinnen. Maar alles wat in haar opkwam had al eens verkeerd uitgepakt.

In het raam zag ze hun spiegelbeeld. Hij recht, gesloten. Zij iets naar voren gebogen, alsof ze zich al verontschuldigde voordat ze wist waarvoor.

‘Ik weet het niet meer,’ zei ze uiteindelijk.

Lucas bleef staan. Zijn kaken spanden zich. Toen liep hij weg.

Margaretha bleef staan. Haar handen waren tot vuisten gebald zonder dat ze het had gemerkt. Ze dwong ze langzaam te ontspannen. Het geluid van zijn voetstappen verdween tussen de andere geluiden van de straat.

In het raam zag ze zichzelf. Haar blik bleef zoeken, ook nu er niets meer was om te vinden.

 

Nel Goudriaan

06-01-2026

Podcast over dit verhaal, gegenereerd door Notebook

 

https://on.soundcloud.com/BBr1bPdP2hvxMnrgOS

 

(te beluisteren via SoundCloud)

De laatste streek

e laatste streek
 
Maria merkte het als eerste op: de verbleekte bloemetjesgordijnen op de eerste verdieping van Dorpsstraat 26 stonden een handbreed verder open dan gisteren. Het was al maanden stil geweest in het huis; geen licht, geen beweging, niets. En nu dit.
Ze tuurde naar de donkere ramen, haar adem vormde wolkjes in de kou. Het huis stond al zo lang leeg: een blinde vlek in het straatbeeld, met afbladderende bruine verf en luiken die scheef aan roestige scharnieren hingen. Ooit had hier de huisarts van het dorp gewoond; de vervaagde metalen plaat naast de deur droeg nog net leesbaar de letters “Dokter T.”
Hoewel er verder niets bijzonders te zien was, voelde ze een dwingende blik. De klinische kilte van vroeger, een herinnering aan de man die nooit naar haar gezicht keek, maar haar reducerrde tot een verzameling symptomen.
Ze liep door, keek nog twee keer om en nam zich voor de komende dagen extra opmerkzaam te zijn.
 
Op de vrijdagavond daarna brandde er licht in het lege huis.
‘Piet, kijk dan.’ Maria greep de postbode bij zijn mouw toen hij café De Klok binnen wilde lopen. ‘Boven. Zie je het?’
Ze wees naar een zwak, gelig schijnsel achter het raam op zolder. Het flakkerde, alsof iemand een kaars meevoerde.
‘Stroomstoring?’ opperde Piet, maar zijn stem klonk niet overtuigd. ‘Of een stel jongeren die naar binnen zijn geslopen?’
‘Om half acht ’s avonds? Met kaarsen?’
Ze stonden daar met z’n tweeën in de schemering, starend naar het huis. Het licht ging uit. Toen weer aan. Uit. Aan. Alsof iemand rusteloos heen en weer liep.
‘Bel jij de politie?’ vroeg Maria.
Piet keek naar zijn schoenen. ‘Waarvoor dan? Een lamp die brandt in een leeg huis? Ze zullen me uitlachen.’
Die avond liep hij via een omweg naar huis, zijn kraag hoog opgetrokken alsof hij een koude vlaag in zijn nek voelde.
 
In het café groeiden de verhalen als schimmels in het donker.
‘Mijn nicht werkt bij het kadaster,’ zei Henk de timmerman, leunend over zijn bierglas. ‘Dat pand is eigendom van een of ander trustfonds. Geen naam, geen adres. Alleen een notaris in Rotterdam die niks wil zeggen.’
‘Vroeger was het gewoon de dokterswoning,’ mompelde iemand achterin, ‘voordat alles ineens verkocht werd.’
‘Drugs,’ fluisterde mevrouw Jansen. ‘Moet wel. Al dat geheimzinnige gedoe.’
Kees de slager schudde zijn hoofd. ‘Ik hoor geluiden. ’s Nachts, als ik niet kan slapen. Een soort… schrapen. Alsof iemand met een mes over hout gaat, steeds maar door. Uren achtereen.’
De jongere mannen lachten zenuwachtig. De oudere vrouwen keken elkaar aan, dezelfde korte blik die ze wisselden op de dag dat de ambulance voor het huis had gestaan.
‘Het gaat in golven,’ zei een van de vrouwen zacht. ‘Een tijd lang niets, soms maanden. Dan begint het weer. Het licht. De geluiden.’ Ze zweeg even. ‘En dan sterft er iemand.’
Kees knikte langzaam. ‘Mevrouw Dekker. Dat was ook zo. Eerst was het maanden rustig, daarna kwam het licht terug. Een week later…’
Hij maakte zijn zin niet af.
 
Tim, de twaalfjarige zoon van de café-eigenaar, zat in zijn hoekje te luisteren. Zijn vingers bewogen koortsachtig over zijn schetsboek; hij tekende geen huizen of bomen, maar enkel ogen: grote, starende pupillen die de pagina’s vulden.
Toen Maria langs zijn tafeltje liep, schoof Tim zijn schetsboek opzij.
‘Wilt u even stilstaan?’ vroeg hij plots. Voor ze kon antwoorden, keek hij haar aandachtig aan en tekende daarna met snelle, zekere lijnen haar gezicht. Hij gaf haar de schets.
‘Niet weggooien,’ zei hij zacht.
Maria lachte, een kort, hoog geluid, en liep verder. Pas buiten merkte ze dat haar schouders nog steeds gespannen stonden.
 
De onrust vrat zich stil maar gestaag een weg door haar gedachten.
Twee weken later besloot Maria tot actie over te gaan. Om drie uur ’s nachts stond ze op, trok haar jas over haar nachtpon en sloop naar buiten.
De straat lag er verlaten bij onder de halve maan. Haar voetstappen klonken hard op de keien. De geur van de straat leek te veranderen zodra ze het huis naderde; een vlaag van ontsmettingsmiddel en oud vinyl sneed door de nachtlucht. Een geur die Maria direct terugwierp op die ene stoel, onder die tikkende klok die altijd vijf minuten achterliep. De stem van de dokter, die droge, autoritaire toon, leek weer door de muren te sijpelen, alsof hij haar naam elk moment opnieuw kon afroepen uit de duisternis.
Er brandde licht. Boven, op zolder.
En nu zag ze het: een schaduw tegen het raam. Een silhouet dat bewoog. Op een vreemde manier, alsof de persoon steeds boog en weer rechtop kwam, in een vloeiende, haast ritmische beweging. Het monotone gebaar van iemand die steeds opnieuw dezelfde lijn trekt. Op het moment dat de schaduw verstijfde en de kant van de straat op leek te kijken, bevroor Maria.
Ze rende zoals ze in geen twintig jaar had gerend, struikelend over haar eigen voeten, tot ze thuis de deur achter zich dichtsloeg en op de grond zakte. Haar longen hapten naar lucht.
 
De volgende ochtend vertelde ze het aan niemand. In het café hing een spanning die de bierglazen bij iedere tik op de bar liet rinkelen. Iedereen wist dat er iets moest gebeuren. Iemand moest kijken. Niemand durfde.
Tot die zaterdagmiddag, waarop mevrouw Jansen de straat op rende.
“Brand! Brand in de Dorpsstraat!”
Uit het zolderraam van nummer 26 kwam geen vlammenzee, maar een vettige rook die naar verbrande olie en oude doeken stonk. De brandweer kwam, gevolgd door het halve dorp, als opgejaagd wild dat houvast zocht bij elkaar.
De brandweerman bonsde op de deur. ‘Brandweer! Open de deur!’
Niets.
‘We gaan naar binnen.’
Het breekijzer vrat zich moeiteloos door het oude hout. De deur zwaaide open. Binnen was het donker, muf. Pas op de trap veranderde het: daar brandde het licht van tientallen kaarsen die op elke beschikbare plek stonden.
Maria stond in de deuropening van de zolderkamer en vergat adem te halen.
Aan alle wanden hingen doeken. Grote, kleine, ingelijst, los. Portretten. Allemaal portretten: Henk de timmerman met zijn onhandige glimlach, mevrouw Jansen terwijl ze haar kat aaide, Kees achter zijn toonbank, Piet met zijn posttas.
En Maria zag zichzelf voor haar huis, met haar boodschappenwagen, starend naar iets buiten beeld. Op haar portret stond 31 december 2026geschilderd in bloedrode cijfers.
 
In de hoek van de kamer zat een vrouw: klein en ineengedoken naast een schildersezel.  Ze was mager, met verwarde grijze haren en verfvlekken op haar handen. Haar ogen waren groot, donker en doodsbang. Haar huid was kleurloos, bijna doorschijnend.
Ze kneep haar ogen samen tegen het bleke middaglicht dat door het zolderraam viel.
Het was niet haar uiterlijk dat Maria de adem benam. Het was het doek op de ezel: een portret van Tim. De twaalfjarige Tim, geschilderd met een precisie die bijna pijnlijk was om naar te kijken. Elk sproetje, elke trillende wimper. Maar op het doek leek Tim niet meer te ademen; zijn huid had de kleur van koud marmer. Zijn ogen keken langs haar heen, alsof hij iets anders zag.
‘Het spijt me,’ fluisterde de vrouw. ‘Het spijt me zo.’ Haar stem was schor, alsof ze in jaren niet had gesproken. Ze wees met een trillende vinger naar de lege hoek van de kamer.
‘Hij raakt ze aan,’ fluisterde ze, terwijl haar ogen langs Maria heen staarden naar de lege gang. ‘Eerst de ogen, dan de kleur, en dan... de stilte. Ik meng alleen maar wat hij ziet. Als het wit van hun ogen eenmaal op het doek staat, zijn ze niet meer van mij. Dan zijn ze van hem.’
Haar handen trilden. ‘Ik ben bijna door mijn rood heen. En er zijn nog zoveel namen die wachten op hun beurt.’
 
‘Wie ben je?’ vroeg de brandweerman.
De vrouw slikte, haar blik schoot heen en weer tussen de gezichten in de deuropening. Toen, met een stem als gebroken glas: ‘Anna Terpstra.’
 ‘Terpstra? De… de vrouw van dokter Terpstra?’
Maria voelde hoe haar maag samentrok. Dokter Terpstra. Die vijftien jaar geleden in zijn praktijk was gestorven. Hartaanval, zeiden ze.  Maar er waren altijd geruchten geweest. En daarna onverklaarbare sterfgevallen.
Anna greep de rand van de ezel. ‘Hij is er nog steeds. Ik zie hem elke nacht. Hij loopt door het dorp. Hij kijkt bij jullie naar binnen. En ik… ik moet schilderen. Ik moet iedereen schilderen die hij bekijkt!’
De groep zweeg. Alle ogen richtten zich op de stapel doeken tegen de muur.
Maria liep naar voren en trok de bovenste schilderijen weg. Haar handen trilden. Daaronder lagen de voltooide werken.
Portretten van mensen die Maria zich nog herinnerde, elk voorzien van een sterfdatum die precies klopte. Oude Thijs. Mevrouw Dekker. Jonge Daan.
En op elk van deze doeken zag Maria nu wat ze eerst had gemist: een vage, zwarte gedaante die in de achtergrond van het portret stond, steeds een stukje dichter bij het slachtoffer.
De politie nam Anna mee. ‘Voor haar eigen bestwil,’ zeiden ze. Het huis werd verzegeld.
 
Agent De Vries stond nog lang in die zolderkamer nadat zijn collega’s Anna naar beneden hadden begeleid. Hij staarde naar de portretten aan de wand, naar de data in die bloedrode cijfers. Hij had de overlijdensregisters in zijn hoofd - hij kwam uit dit dorp. Oude Thijs, 3 maart 2011. Mevrouw Dekker, 17 juni 2013. De data klopten allemaal.
‘Toeval,’ mompelde hij tegen zichzelf. ‘Moet wel.’
Zijn hand trilde toen hij zijn notitieblok dichtklapte.
Beneden, bij de politiewagen, was Anna er niet meer. Gewoon verdwenen tussen het huis en de auto, tussen de brandweerman die haar bij haar elleboog vasthield en het openstaande portier.
 ‘Ze is vast terug naar binnen gerend,’ zei iemand. Maar iedereen was er getuige van geweest dat het huis gesloten was.
Maria keek naar het zolderraam en zag daar een schaduw bewegen. Een kleine, ineengedoken gestalte.
Niemand sprak erover. Niet hardop.
 
Het bleef die avond onrustig in het dorp. In café De Klok praatten mensen zachter dan anders; telkens wanneer de deur openzwaaide, draaiden hoofden tegelijk om. Maria zag Tim aan de bar zitten met zijn schetsboek, ongewoon stil.
‘Je moet die tekeningen niet meer maken,’ zei ze.
De jongen haalde zijn schouders op. ‘Hij staat er toch al op,’ mompelde hij, zonder haar aan te kijken.
‘Wie?’
Tim sloeg het boek dicht. ‘Niemand.’
Maria legde haar hand op zijn schouder; de jongen huiverde.
‘Ga naar huis, Tim. En doe je raam op slot vannacht.’
Hij keek haar aan met ogen die te oud waren voor zijn gezicht. ‘Dat helpt niet, mevrouw Maria. Als hij je wil, ziet hij je toch wel.’
Later zag Maria licht branden in de slaapkamer boven het café. Een smalle schaduw bewoog langs het gordijn: klein, nerveus, alsof iemand rusteloos heen en weer liep. Ze bleef even staan kijken, met een gevoel dat ze niet goed kon benoemen en liep toen verder.
 
Die nacht waaide het raam van de kamer van Tim open.
Zijn moeder vond hem de volgende ochtend. Niet bij het kanaal: dat kwam later, in de verhalen die de mensen in het dorp elkaar vertelden. Ze vond hem in zijn bed, stil en koud, met zijn ogen open. Die vreemde, glazige blik die ze herkende van de portretten.
De dokter van het ziekenhuis in de stad kon niets vinden. ‘Hartstilstand,’ schreef hij op het certificaat, maar zijn pen aarzelde.
Op Tims nachtkastje lag zijn schetsboek open. De laatste tekening toonde een man in een donker kostuum, met een dokterstas in zijn hand. Het gezicht was leeg gelaten. Alleen de ogen waren ingetekend, groot en starend.
 
Het nieuws verspreidde zich snel door het dorp. Toen Maria die ochtend langs het café liep, voelde ze het weer. Die klinische blik, de afstandelijke observatie. Ze draaide zich om.
In het raam van de eerste verdieping van Dorpsstraat 26, tussen de verbleekte bloemetjesgordijnen, bewoog iets. Een reflectie, zou je kunnen zeggen. Of een schaduw. Maar Maria wist beter.
Die avond brandde het licht op zolder tot in de vroege ochtend. En toen de zon opkwam, zagen de vroege werkers een nieuw portret in het raam staan: een jongen met een schetsboek, omlijst in donker hout.
In café De Klok werden de glazen voortaan in stilte gevuld.
Tims vader sloot de zaak een week na de begrafenis. ‘Ik kan er niet meer zijn,’ zei hij tegen niemand in het bijzonder. Het dorp knikte. Iedereen begreep het.
’s Nachts, als de straat leeg was, brandde er nog steeds licht achter de dichtgetimmerde ramen van het café. Beweging, alsof iemand nog steeds achter de bar stond, nog steeds glazen vulde voor gasten die er niet waren.
 
Maria meed voortaan de Dorpsstraat, maar de geur van vinyl en ontsmettingsmiddel leek aan haar kleren te kleven.
Wanneer ze nu, tegen beter weten in, naar de zolder van nummer 26 kijkt, flikkert daar achter het glas nog steeds een aarzelend licht. Onder het kozijn, bijna onzichtbaar in de ochtendschemer, kruipt een dunne, natte verfstreep langzaam naar beneden. Een laatste streek die maar niet wil opdrogen.

Juryrapporten Blikken


Blikken    Ma
Wauw, goed gedaan dit! Eén scéne, één locatie, spanning die zich voelbaar opbouwt tot de hoofdpersoon losbarst. Volkomen geloofwaardig. Goede dialogen, pijnlijk in de banale lompigheid. Het slot is functioneel en coherent, maar niet zo verrassend. Het bevestigt het thema, maar geeft er geen slinger aan, wat van mij best had gemogen. Ook zijn de verschillende personages wat repetitief; wat minder had gekund. Maar, alles bij elkaar een urgent, goed geschreven verhaal met emotionele lading en geloofwaardigheid.

Blikken    Ae
Leonora neemt vaker de bus met haar twee peuters. Ze krijgt veel nieuwsgierige opmerkingen over het feit dat de een blond is en de ander zwart haar heeft. De interactie tussen de bus passagiers en Leonora is goed neergezet. De dialogen zijn goed. De woede aanval van Leonora is iets minder geloofwaardig neergezet. De rijdende en stoppende bus en zijn passagiers zijn in een interessante scene weergegeven.

Pantoffeltijd