Weerzien


‘Zal ik je met de afwas helpen, pa?’ vraag ik.

Pa knikt, alsof ik nog dagelijks bij hem in de keuken sta.

Hij gebruikt een houten borstel met groene zeep en draagt de schort die moeder altijd droeg.

Ik pak de blauw geblokte theedoek en een bord. Er zit een grote barst in. Ooit lag het bord op de stapel die alleen op zondag werd gebruikt.

‘Er wordt over je gepraat, jongen,’ zegt hij. Zijn stem klinkt vreemd schor.

‘Ach, praten doen ze altijd en overal.’

‘Ze begrijpen niet waarom je juist nu teruggekomen bent na al die jaren.’

Ik zwijg en droog een paar lepels af: dezelfde waarmee we elke zondag zelfgemaakte kippensoep aten na de middagkerkdienst. De lepels hebben hun glans verloren, ik wrijf krachtig met de theedoek. Tevergeefs.

‘Eigenlijk begrijp ik het ook niet, waarom nu en niet ...?’

‘Pa, eerder kon het niet.’

De scherpe geur van de groene zeep dringt mijn neusgaten binnen. 


Ik zie haar weer op haar knieën de keukenvloer dweilen. 

‘Laat die vieze schoenen op de mat staan, ik zit hier niet voor niets te boenen,’ riep ze me altijd toe. 

Ik proef weer de smerige smaak van groene zeep, toen ik mijn mond moest spoelen, nadat ik een knetterende vloek had uitgesproken.

‘Je bent van de duivel bezeten, onrein kind,’ had ze me toegesnauwd.


Pa bewerkt met een schuursponsje de aangekoekte aardappelpan. Zijn handen zijn oud geworden: rimpelig en vol bruine vlekken. Ze lijken op de handen van oma. 

‘Wat is die pan vies, ik had meer olie moeten gebruiken bij het bakken.’

‘Misschien zou je, nu je alleen bent, een afwasmachine moeten kopen.’

‘Wat een onzin, jongen, al die moderne fratsen.’

Hij maakt het aanrecht schoon met een vaatdoek die er niet al te fris uitziet en gooit het vuile afwaswater weg.

Zo gemakkelijk gaat dat dus: het vuil verdwijnt in de afvoerput.

‘Ik ga even naar de schuur,’ zegt hij.

De schuur, zijn schuilplaats. De mooiste dingen maakte hij daar. Hij probeerde ooit zijn liefde voor houtbewerken aan mij over te dragen. Zinloos, ik had en heb twee linkerhanden.


Ik denk terug aan mijn achtste verjaardag, toen ik om een barbiepop had gevraagd. Hoe ik me verheugde ermee te spelen en hoe pa toen kwam aanzetten met een auto vol zelfgemaakte blokken. Weer voel ik hoe de tranen prikten in mijn ogen en hoor ik de stem van mijn moeder: ‘Wat moet een jongen nu met zo’n wufte, goddeloze pop? Het is een gruwel voor de Here.’

Die woorden, waarvan ik de betekenis niet begreep, kerfden zich in mijn ziel.

‘Je zou dankbaar moeten zijn dat je vader zo hard voor je gewerkt heeft,’ riep ze me nog achterna, toen ik huilend naar boven rende.


Ik loop naar de lege kamer, die er nog bijna net zo uitziet als dertig jaar geleden. De vloerbedekking is inmiddels sleets geworden en de stoffering van de stoelen is kaal. Zelfs de oude schemerlamp van oma staat er nog met een beige kap. Toen de lamp nog in oma’s huis stond, was de kap roze, maar na haar overlijden verving zijn moeder de kap. ‘Roze komt er bij ons niet in: dat is een kleur voor een hoerenkast.’

Ook de boeken in de boekenkast zijn nog dezelfde als toen: de Bijbel, de Institutie van Calvijn en de dunne boekjes met bekeringsgeschiedenissen. Ik pak er een uit de  kast: ‘Het leven en lijden van Antje Wildeboer’. Het valt bijna uit elkaar, stukgelezen door mijn moeder.

In een hoekje staat het verboden boek, dat ik heb stukgelezen: Ed Mousson, Het sexueele leven van man en vrouw’.

‘Seksualiteit is een waardevol geschenk van God aan mannen en vrouwen die in huwelijken voor elkaar gekozen hebben.’ 


Pa komt terug, het begint al donker te worden.

‘Je moeder is er nooit overheen gekomen,’ klinkt vanuit het niets.

‘Je moeder, je moeder, altijd gaat het alleen om haar. Heb je je ooit afgevraagd hoe het met mij gaat? Hoe vaak heb je met mij contact gezocht de afgelopen jaren? Slechts één keer.’

‘Ik kon je moeder niet in de steek laten. Jij koos je eigen, zondige weg. Maar weet, dat ik je wel verdedigd heb, wanneer mensen kwaad van je spraken. Je blijft mijn zoon.

 Dagelijks huilde je moeder, omdat je je ziel en zaligheid hebt verspeeld en gekozen hebt voor Sodom en Gomorra, Ze verweet zichzelf dat ze je niet goed had opgevoed in de vreze des Heren. Ik heb haar zo vaak moeten troosten. Jij had Peter.’

‘Nooit hebben jullie hem willen ontvangen. Alsof hij een besmettelijke ziekte heeft. Mijn brieven lieten jullie onbeantwoord.’

‘We hoopten dat je tot inkeer zou komen en dan zouden we je weer met open armen hebben ontvangen.’

‘Waarom hebt u me nooit verteld dat moeder ernstig ziek was? Waarom mocht ik geen afscheid nemen? Nu is het te laat. Ik kreeg een rouwkaart in de bus, alsof ik een vreemde ben,’

‘Zo heeft je moeder het gewild. Ze hoopte van harte dat haar dood jou tot bekering zou brengen. Eens zul je staan voor de grote Rechter en je moeten verantwoorden voor je daden.’

‘Pa, ik moet even naar buiten.’


Ik loop door de vertrouwde straten richting het kerkgebouw waar ik zoveel uren heb doorgebracht. Ik kijk naar de deur en hoor nog de klap waarmee ik deze dichtsmeet, nadat mij werd meegedeeld niet meer welkom te zijn, zolang ik mijn goddeloze weg voortzette.

Ondanks alles knaagt nog steeds de pijn, het gemis. Met hart en ziel heb ik me ingezet. Ik werd op handen gedragen, maar alles was schijn. Ze zagen alleen de rechtschapen man die ik probeerde te zijn. Toen ik eindelijk mijn geluk bij Peter vond, was er geen plek meer voor me.

Ik keer om naar het kerkhof. Hoe vredig en stil is het daar. Ik ben er nog niet aan toe naar het graf van mijn moeder te gaan. Misschien ooit.

Bij het graf van oma leg ik een roze anjer.

“Lieve oma, was jij er nog maar.’

Troostjas