Schetsen GertJan 1

 Ontmoeting

 

Het liefst neemt hij de trein direct na de spits, dan is de kans het minst om een bekende tegen te komen.. In zijn aktetas stopt hij een paar opgevouwen katoenen tasjes. Helaas lukt het deze keer niet zijn gewoonlijke trein te nemen omdat er uitgerekend vandaag een haastklus op zijn werk is. Nee zeggen is voor hem geen optie, zelfs niet op zijn vrije dag.

De trein van 12.19 uur is precies op tijd. Gelukkig zitten er geen mensen die hij kent in zijn coupé. De stoelen naast en tegenover hem zijn leeg, Hij waagt het erop de folder uit zijn tas te halen en slaat direct de bladzijde op met de Barbie gekleed in regenboogkleuren en daarbij een koets met een witte eenhoorn. Vandaag komt ze eindelijk in zijn bezit.


Haastig stapt hij uit de trein en loopt de winkelstraat in. Al snel ziet hij het oranje logo van Blokker.

Hij baant zich een weg langs het serviesgoed, het keukengerei en de schoonmaakartikelen en komt aan bij de speelgoedafdeling. 

Zijn hart slaat een slag over, als hij eindelijk de felbegeerde Barbie in zijn handen heeft. Wat ze ze mooi, ze verdient een plaats naast Golden Dream Barbie met haar schitterende gouden jurk met de witte bonthandel. Hij streelt haar zachtjes en is zo in gedachten verzonken dat hij hevig schrikt van een bekende stem:

   ‘Zo, GertJan, wat doe jij hier?”

Het is de moeder van Eva, die hem aanspreekt. Zijn lichaam trilt, hij voelt hoe het bloed naar zijn hoofd stijgt. Hij heeft vast en zeker een knalrode kop.

   ‘Eh, ik zoek een cadeautje voor mijn nichtje dat binnenkort jarig is.’

Ga alsjeblieft weg, denkt hij. Je hoort er helemaal niet te zijn. Dit is mijn wereld, mijn geheim. 

   ‘Wat moet ze nu met een Barbie? Je weet toch zeker wel dat zo’n wufte pop geen passend geschenk is? Je zou beter moeten weten.’

   ‘Ik heb er geen verstand van,’ stamelt hij. Het lijkt me leuk voor een meisje van tien.’

   “Koop gewoon een goed boek in de Evangelische Boekwinkel. Dat is nog eens een waardevol cadeau.’

Als ze nu niet weggaat, sta ik niet meer voor mezelf in, denkt hij. Hij verheft zijn stem en zegt:

   “Dat doe ik ik, prima idee. Ik ga meteen.’

Hij loopt zonder te groeten weg. Tranen wellen op, hij was zo dichtbij en nu zou hij toch zonder resultaat naar huis moeten. Teruggaan is geen optie. Stel dat hij weer een bekende tegenkomt. Als ze ooit achter zijn geheim komen, stort zijn wereld in. Het uitlachen zou nog het minste zijn, hij zal verstoten worden uit zijn functies in de kerk. Nog erger: zijn ouders zullen hem verachten en hem voor gek verklaren.

 

Weer terug in de trein kiest hij een plek tussen volslagen onbekenden. Alles is beter dan de angst dat er iemand die hij kent naast hem komt zitten. Hij pakt een reep chocolade uit zijn tas en eet deze in zijn geheel op, maar de leegte blijft knagen.

 

Reünie 

 

Lang staart hij naar de uitnodiging: een reünie van het Rehoboth College. Uit de kast neemt een albun en bladert tot hij de foto vindt van de werkweek in de vijfde klas van het Gymnasium. Een onvergetelijke week in Rome. Hij ziet zichzelf: een magere jongen van 16 met puistjes, maar zijn ogen stralen. Naast hem zit Peter met een prachtige gespierde en gebruinde lijf. Weer voelt hij die warmte, de pijn in zijn lijf, het verlangen ..

Al die jaren heeft hij geprobeerd hem te vergeten, uiteindelijk is het gelukt, maar nu laaien zijn gevoelens weer op in alle hevigheid.

 

Hij denkt aan de voorlaatste avond, toen ze met een klein groepje buiten zaten. Op het laatst bleven alleen Peter en hij over. Ze zaten dicht tegen elkaar aan en zwegen. Hij had zich nog nooit zo gelukkig gevoeld. Zonder woorden wist hij dat ze elkaar begrepen. Maar ook was er die intense droefheid: het kon niet en het mocht niet.

Zou Peter naar de reünie komen? Of misschien juist niet?

Hij legt het fotoboek terug en loopt naar zijn studeerkamer. Hij opent zijn kast met daarin de barbiepoppen die hij gedurende vele jaren heeft verzameld. Een aantal ervan zet hij op een rijtje op de bank en kijkt  ernaar. Wie is hij geworden? Een man die met zielloze poppen speelt? Een man die de leegte opvult met een roze fantasiewereld?

Een man van aanzien in een kleine besloten wereld, die met gesloten ogen leeft.

   ‘Ik ga naar de reünie,’ zegt hij hardop. Tegelijkertijd huivert hij: weer alle klasgenoten zien, ook die meiden die hem zo minachtend konden aankijken en hem een ‘mietje’ noemden. 

Maar zijn verlangen om Peter terug te zien, is sterker dan zijn angst.

Hij kijkt naar zichzelf in de spiegel en ziet een grijze muis, saai en onopvallend gekleed.

Het is nog vroeg in de middag, tijd genoeg om naar de stad te gaan. Niet om bij de Blokker barbiepoppen te kopen, maar om in een moderne kledingzaak nieuwe, kleurige kleding te kopen voor de reünie.

 

 

Brief

Lieve pa en ma,

 

Jarenlang heb ik jullie niet gezien. Jullie weigerden in mijn stad, die jullie denigrerend Sodom en Gomorra noemden, op bezoek te komen. Zelfs niet nadat ik jullie schreef, dat ik ernstig ziek ben. Het enige wat jullie antwoordden was: “De zonde kan niet ongestraft blijven.”

Ik heb nog maar kort te leven. Ik doe een laatste poging om met jullie in contact te komen. Ik begrijp het  zelf niet, maar na alle afwijzing verlang ik nog steeds naar jullie erkenning. Nog één keer zou ik willen worden vastgrhouden als een kleine jongen, nog een keer zou ik jullie willen omhelzen.

 

Ma, ik denk aan de tijd dat ik een kleine jongen was, aan de heerlijke koekjes die je bakte. De spelletjes die we speelden, de fietstochten die we maakten. Ik denk aan de geur van je eau de cologne, aan de manier waarop je me instopte voor ik ging slapen.

 

Pa, jij was er nooit. Je was op je werk, je bezocht een kerkeraadsvergadering, of je bracht een huisbezoek. Ik zag je eigenlijk alleen maar aan tafel en dan was je moe. Jouw mening hoorde ik eigenlijk alleen maar via ma: “ Je vader vindt dat niet goed...”  Nooit sprak je me zelf op iets aan.

Dat is laf, gewoon laf!

 

Toch was die kindertijd voor mij de meest gelukkige tijd; ik mocht zijn wie ik was.

Maar er was ook die ene dissonant die me pijn doet tot de dag van vandaag. Die keer dat ik op mijn verjaardag om een pop vroeg. Niet het feit dat ik deze niet kreeg was het ergste, maar de blikken vol minachting en de boze stem: “Doe niet zo raar, een echte jongen speelt niet met poppen.”

“Een echte jongen”, het klinkt nog steeds na in mijn hoofd. De jongen die jullie hadden gewild, een jongen die op het land werkte en niet zijn hoofd volstopte met ‘malle fratsen.’ Een jongen die een gezin zou stichten en kleinkinderen zou schenken. Een jongen die God vreesde en een belangrijke positie in de kerk zou bekleden. Nu dat laatste is gelukt, ik bracht het zelfs tot jeugdouderling.

Ik bezocht jullie trouw een paar keer per week. Jullie deden nooit tevergeefs een beroep op me.

Jullie vonden dat doodgewoon: ‘Dat hoort zo.”Een goede zoon doet alles voor zijn ouders.”

Nooit, maar dan ook nooit vroegen jullie me, hoe het echt met mij ging. Ik kon jullie niet vertellen van de zware last die op me drukte, het kerkenraadswerk dat me steeds meer uitputte. De avonden dat ik in mijn bed jankte van ellende, omdat ik mijn functie in de kerk niet meer aankon.

 

Toen kwam die moeilijke avond waarop ik vertelde met Peter te gaan samenwonen. Ik vertelde eindelijk bevrijd te zijn van zware lasten en gelukkig te zijn. Ik begrijp best dat dit een schok voor jullie was, maar jullie lieten met zelfs niet uitpraten en wezen me per direct de deur. 

Het enige dat pa kon uitbrengen was: “Het is voor de Heere een gruwel.”

Ik werd een uitgestotene, een paria. Was ik alleen maar de goede zoon, als ik voldeed aan jullie verwachtingspatroon? Deden jullie ooit moeite om mij echt te zien?

Ik ben bereid jullie alles te vergeven, maar kom dan alsjeblieft samen naar me toe. Zo snel mogelijk, voor het te laat is.

 

Ik groet jullie, ook namens Peter,

GertJan

GertJan 2 (perspectief anderen)

Bezoek

 

De bel klinkt zo zacht dat ik deze niet zou hebben gehoord als ik niet toevallig in de gang liep op dat moment. Hij komt schoorvoetend binnen, reikt mij zijn beige jas aan en vraagt waar hij kan gaan zitten.

   ‘Kies maar een stoel uit.’

Hij aarzelt even en kiest de stoel uit die het verst bij het raam vandaan staat.

   ‘Uw dochter ...’ zegt hij en dan zwijgt hij weer.

Zijn lippen vertonen een vreemde grimas, alsof hij tevergeefs probeert te glimlachen.

   ‘Zeg het maar,’ moedig ik hem aan, ‘Eva heeft goede dingen over je verteld.’

   ‘Ik weet niet, hoe ik moet beginnen, maar Eva heeft behoefte aan meer vrijheid. Ze voelt zich soms bekneld.’

   “Hoe bedoel je, GertJan? Te veel vrijheid leidt toch alleen maar tot het maken van verkeerde keuzes? Mijn man en ik willen haar sparen voor verleidingen van buitenaf. Ze gaat met plezier naar de jeugdclub. In de kerk heeft ze fijne vrienden en vriendinnen.’

   ‘Eva heeft het niet gemakkelijk; ze is heel intelligent en heeft voor andere zaken belangstelling dan de rest van de jongeren. Ze zou graag met een groepje uit haar klas naar de film willen gaan.’

   ‘Daar hebben mijn man en ik uitvoerig over gesproken met haar. We willen niet dat ze in een bioscoop komt, waar ook films gedraaid worden waarin openlijk wordt gezondigd.’

  ‘Maar de film waar ze naartoe wil, is heel onschuldig. Gun haar dit plezier.’

   ‘Je zit zelf in de kerkenraad, Hoe vinden ze daar je verlichte ideeën?’

   ‘Mijn ideeën zijn niet verlicht, ik probeer zo nauwgezet mogelijk te leven. Ik zou de film dan ook niet bij iedereen aanbevelen, maar Eva kan het aan. Heb meer vertrouwen in uw dochter.’

 

  ‘Ik heb zo mijn bedenkingen, GertJan, en moet met mijn man overleggen.’

GertJan bezoekt zijn ouders


Bezoek

Het is dinsdagavond: tijd om naar zijn ouders te gaan. GertJan doet zijn gemakkelijke trui uit en trekt  zijn grijze pak aan met een blauwe stropdas. Ze zien hem graag netjes gekleed.

Het is prachtig weer; ze zullen wel in de tuin zitten onder de kastanjeboom. Ma heeft vast weer een appeltaart gebakken.

Hij kijkt naar zichzelf in de spiegel: een keurige man van zesentwintig jaar met een ernstig gezicht, gladgeschoren, haren in de plooi. ‘Stel dat een van mijn vrienden van de middelbare school me zo zou zien,’ zegt hij hardop tegen zijn spiegelbeeld.

‘Kom op, GertJan. Doe eens gek,’ zeiden ze vaak tegen hem. Peter porde hem dan in de ribben, totdat hij wankelde en uiteindelijk in lachen uitbarstte.


Wanneer heb ik eigenlijk voor het laatst gelachen? Ik kan het me niet herinneren.

Hij loopt naar de kast, pakt een van zijn barbiepoppen, houdt haar hoog in de lucht en doet een sprongetje. Dat ziet er raar uit in de spiegel. Een lach trekt over zijn gezicht. Zijn ouders zouden hem zo eens moeten zien.

Hup, over tot de orde van de dag en naar pa en ma.


Zijn moeder begroet hem met een vluchtige kus op de wang en zijn vader bromt wat. Van lichamelijke intimiteiten houden ze niet. Ondanks de hitte is zijn moeder gekleed in een zwarte jurk met lange mouwen, haar lange haren heeft ze opgestoken. Ze zou een knappe vrouw kunnen zijn, maar “uiterlijke frivole zaken mogen niet afleiden van het innerlijke,” zei ze altijd. Ze spreekt minachtend over jonge vrouwen die met blote halzen en armen rondliepen om daarmee de mannen te verleiden tot onzedelijk gedrag. Vroeger had hij nog wel eens geprobeerd haar tot andere gedachten te brengen, maar daar is hij mee gestopt de laatste jaren.

Opeens ziet hij zichzelf weer huppelen voor de spiegel en als vanzelf zegt hij:

   ‘Ma, trek toch eens iets luchtigers aan, het is veel te warm voor zwarte kleding.’

Er verschijnt een zenuwtrek rondom haar mond.

   ‘Jongen, je weet toch dat je het gebod van de Heere serieus moet nemen. Ik ga in het zwart vanwege de ernst van mijn zonden. Elke dag opnieuw moet ik weer bekeerd worden.’

Een gedachte flitst door hem heen: welke zonde kan mijn moeder nu bedreven hebben? Ze komt het dorp niet uit, bezoekt twee keer per zondag de kerkdiensten, leest trouw haar bijbel, bakt appeltaart voor haar zoon.

   ‘Vertel eens over je werk als ouderling. Is er nog iets bijzonders gebeurd deze week?’

   ‘Ma, ik mag niet alles vertellen, er is ook zoiets als een ambtsgeheim, dat weet je toch wel?’

   ‘Natuurlijk jongen, maar ik ben wel je moeder.”

En je bent nieuwsgierig, denkt hij. Altijd stelt ze dezelfde vragen. Tegen beter weten hoopt hij dat ze deze keer vraagt, hoe het echt met hem is. Als ze maar eens één keer een arm om zijn schouder zou leggen en -zoals vroeger toen hij klein was- zou zeggen: ‘Je bent een beste jongen.’


Hij slikt even en zegt: ‘Ma, ik weet niet of ik mijn functie in de kerkenraad nog lang volhoud. Het valt me zwaar de laatste tijd.’

   ‘Wat zeg je nu, jongen? Ben je helemaal mal geworden. Je bent door God geroepen tot deze taak, dat weet je toch wel?” 

Hij aarzelt: zal ik doorgaan of maar zeggen dat ik het niet zo meen en alleen een beetje moe ben?

De keus valt op het laatste, een woordenwisseling met zijn moeder eindigt steevast in tranen bij haar en dan kost het weken om weer “normaal’ met haar te kunnen converseren.

‘Ach, het komt wel weer goed, ma’, zegt hij dan.

‘God schenkt je kracht na kruis,’ antwoordt ze en daarmee is voor haar het onderwerp afgesloten.

Het gesprek wil niet meer echt op gang komen en GertJan besluit naar huis te gaan.

‘Zo vroeg al? vraagt zij moeder. Zijn vader mompel een gedag en hij vertrekt.


Op weg naar huis, denkt hij: er moet iets gebeuren. De situatie wordt onhoudbaar zo.


Kermis


‘Ga je mee naar de kermis, GertJan?’
‘Eh ... ik mag daar niet naartoe van mijn ouders.’
‘Heel even toch wel? Niets zeggen thuis, ze komen er nooit achter.’
Hij sjokt mee, kijkt angstig om zich heen of er geen bekenden in de buurt zijn. 

Dan: muziek, felle kleuren, geluiden van botsauto’s, vrolijke stemmen.
Een grote kraam vol kaneelstokken, noga en zuurstokken lonkt, hij koopt er een.

‘Wat ben jij laat uit school,’ zegt zijn moeder, je bent toch niet ...?’
‘Nee ...’
‘Je ziet vuurrood, was je toch in die poel van verderf? 
Wat is dat roze spul tussen je tanden?’

Het meisje op de rots

Het meisje op de rots


Op een zonnige zaterdag in mei zit ze er opeens: haar rode jas wappert in de wind; ze draagt een capuchon over haar hoofd. Ik kijk naar de rots en vraag me af waar ze zo plotseling vandaan komt. De mensen om me heen lijken haar niet op te merken: kinderen spelen gewoon door met hun schepjes en emmers, strandwandelaars met hun honden vervolgen hun weg. Een moeder schenkt limonade in voor haar kinderen.

Ik kijk naar het meisje op de rots: waar komt ze vandaan? Waarom zit ze daar? Ik heb het gevoel dat ze haar blikken speciaal op mij gericht houdt.

Als ik laat in de middag naar huis ga, zit ze er nog steeds. Onderweg fantaseer ik over haar: ik bedenk hoe ze die morgen voor de spiegel stond en haar rode jas aandeed; hoe ze huppelend naar de rots ging. Zou ze zich bezeerd hebben aan de uitstekende punten? Ik voel haar blijdschap de top te hebben bereikt zodat ze het hele strand kan overzien als een wachter op de muur van een stad. Tussen al die mensen ziet ze mij in mijn hemelsblauwe bikini …


De volgende morgen vertrek ik weer naar het strand; vanuit de verte zie ik haar al zitten. Zou ze niet naar huis zijn gegaan vannacht? Langzaam loopt het strand vol; er lijkt niets veranderd door haar aanwezigheid. Ik trek de stoute schoenen aan en vraag aan mijn buurvrouw op het strand:

   ‘Zien jullie dat meisje zitten op de rots met haar rode jas?’

Ze kijkt me bevreemd aan: ‘Wat bedoel je? Ik zie niemand; houd je me voor de gek?’

   ‘Kijk alsjeblieft goed: ze zit er echt.’

   ‘Verkoop je onzin maar aan anderen. Je ziet spoken.’

Ik kijk weer naar de rots en zie slechts een een massief stuk grijs gesteente.

   ‘Excuses, ze is verdwenen. Ik dacht dat ik iemand zag zitten daar.’ 

Ik voel me, vreemd genoeg, verdrietig nu ik haar niet meer zie. Uit mijn tas pak ik een boek en ik dwing me ertoe mijn gedachten te verzetten door te gaan lezen. De zon streelt mijn huid en mijn oogleden worden zwaar.

Als ik ontwaak, staat de zon hoog aan de hemel en brandt ze op mijn rug. Naast me zijn inmiddels andere mensen neergestreken. Ik kijk naar de rots en zie haar weer. Opgelucht haal ik adem; ik dacht even dat ik leed aan hallucinaties. Ik besluit voorzichtiger te zijn met andere mensen erbij te betrekken en af te wachten tot ze aan mij vragen of ik haar zie.


Weken gaan voorbij; ik begin te wennen aan haar aanwezigheid. Of het nu regent, stormt of de zon schijnt: ze is er altijd. Niemand rept met een woord over haar en toch weet ik, voel ik dat ik niet de enige ben die haar ziet. Het lijkt wel alsof degenen die haar zien, besluiten om over haar te zwijgen. Zouden zij ook voelen dat ze alleen naar hen kijkt? Nooit zal ik het te weten komen.


Vandaag, de eerste zaterdag in juni, word ik wakker met een onbestemd gevoel. Mijn dagelijkse ontbijt sla ik over en ik ga direct richting het strand. Tot mijn grote opluchting zie ik dat het meisje er nog zit. Het is windstil en plotseling beweegt haar arm. Zwaait ze nu naar mij? Ik zwaai terug en blijf gebiologeerd naar haar kijken. Nu zwaait ze ook met haar andere arm. Het lijkt alsof ik door een vergrootglas kijk, want de contouren van haar gezicht worden steeds duidelijker. Op een gegeven moment kan ik zelfs de kleur van haar ogen zien: zachtblauw met een zilveren glans.

    ‘Je hebt het goed gezien. Ik waak over jou elke dag en ook ‘s nachts als je slaapt. Zwijg over mij, want als je over me spreekt, kan ik er niet langer voor je zijn. Een keer ben ik al voor een korte tijd vertrokken; een tweede keer kom ik niet meer terug.’

Ik wil antwoorden, maar kan haar slechts vanuit de verte waarnemen. Mijn hart klopt wild en ik kijk om me heen naar de andere strandgangers. Uit niets blijkt dat ze ook maar iets meegekregen hebben van mijn ontmoeting met haar. Ik kan hier niet langer blijven en ga terug naar huis.


Die avond aan tafel vraagt mijn man mij: ‘Is er iets bijzonders met jou aan de hand?’

   ‘Hoe bedoel je?’

   ‘Je bent steeds vaker in gedachten afwezig; je geeft soms vreemde antwoorden op mijn vragen. Voortdurend verdwijn je naar het strand, soms zonder iets te zeggen.’

   ‘Nee hoor, er is echt niets. Ik geniet van de zee en de golven en ik voel me prima. Maak je echt maar niet ongerust. Ik heb veel behoefte aan vrijheid na alles wat er gebeurd is en ik word heel zenuwachtig als ik het gevoel heb voortdurend gecontroleerd te worden. Vertrouw me alsjeblieft!’

   ‘Lief, als jij gelukkig bent, ben ik het ook. Kom bij me als je me nodig hebt. Ik heb vertrouwen in je, maar soms is dat even moeilijk voor me.’


Het meisje op de rots maakt deel uit van mijn dagelijks leven. Het is inmiddels een paar maanden verder. Elke dag maak ik lange strandwandelingen en zwaai naar het meisje. Haar gezicht heb ik  na die ene keer nooit meer van dichtbij gezien. Of het nu regent, stormt of hagelt: altijd zit ze op haar post en kijkt uit over zee en strand. Ik weet dat ze naar mij kijkt en al mijn stappen volgt.

Vandaag schijnt de zon uitbundig en zo vrolijk heb ik me sinds lang niet meer gevoeld. Gevoelens van blijdschap heb ik jaren geleden voorgoed begraven samen met haar. Vandaag zou ze tien jaar geworden zijn, als niet ...

Opeens voel ik dat iemand mijn hand vastpakt. Ik kijk opzij en zie dat zij het is. Haar gezicht is diep weggestopt onder de rode capuchon. Ik kan geen woord uitbrengen en loop met haar mee. Dan staat ze stil en terwijl ze mijn hand vasthoudt, verandert het blauw van de hemel in oranje; de kleur van het zand wordt paars met daarop talloze schelpen in alle kleuren van de regenboog. Alle mensen die zich op het strand bevinden, kleuren stralend wit. Ik knipper met mijn ogen, zo overweldigend is het schouwspel dat zich aan mijn ogen voltrekt. Ik loop niet langer, maar mijn voeten dragen me dansend richting de golven. Verbeeld ik het me of hoor ik nu echt de golven zingen? Mijn vrolijkheid verandert in een intens gevoel van geluk. En heel even is mijn kleine meisje me zeer nabij …

Dan de stilte, alle kleuren worden weer zoals ze waren en mijn hand voelt leeg. Het strand lijkt verlaten en het begint te schemeren. Ben ik zo lang weggeweest? Ik ren naar huis en en zie in het voorbijgaan weer een rode gestalte op de rots.


Mijn man heeft, zoals elk jaar, een taart gekocht met kaarsjes die we samen uitblazen.

  ‘Ik vertrouwde erop dat je terug zou komen en daar ben je dan.’

Zwijgen kan ik niet langer en ik vertel hem alles wat me is overkomen. Zijn ongeruste blik verraadt zijn angst.

   ‘Wees niet bang. Zij zal me voor altijd beschermen; ze zal me nooit verlaten. Dat beloofde ze.’

   ‘Lief, ik kan jouw geluk bijna voelen in mijn eigen lijf, maar toch …’

   ‘Nee, begin niet weer over een psychiater. Die tijd is voorbij.’

We zitten en we zwijgen tot de zon ondergaat.


Ik loop weer naar het strand. Haar afwezigheid is het eerste dat me opvalt. Ze heeft me gewaarschuwd, maar ik sloeg haar raad in de wind en verbrak de ban. Ik weet niet of ik zonder haar kan. Wie zal mij beschermen en over me waken voortaan?

Een koude rilling gaat door me heen, mijn voeten brengen mij als vanzelf in de richting de rots. Ik kan geen weerstand bieden aan de drang naar boven te gaan. Haar zal ik daar niet aantreffen, maar ik kan wel met eigen ogen haar uitzicht ervaren. Ik klauter over puntige uitsteeksels naar boven; hoor hoe de golven tegen de rots slaan. Eenmaal boven aangekomen, zie ik kleine gekleurde stipjes op het strand. Zoekend kijk ik rond of ik haar zie in haar hemelsblauwe bikini. Mijn rode jas wappert in de wind. Ik ontwaar haar niet in de menigte.

Zou ze me niet meer nodig hebben?


Luide stemmen op het strand, wijzende handen. Dan armen om me heen en een vertrouwde stem:

   ‘Het is goed lief. Jij bent sterk, ik heb het volste vertrouwen erin dat je het zonder haar kunt. Zij weet dat ook en daarom is ze heengegaan. Nu kun je haar loslaten en verdergaan.’

Ik richt me op en loop voorzichtig met hem mee en voel me een baby die zijn eerste stapjes zet. Heel wankel nog, me vastklampend aan alles wat me kan beschermen. Ooit loop ik weer met vaste tred. 

Nog eenmaal kijk ik naar de rots die fier in de branding staat. 


@Nel Goudriaan