Brief aan mijn schrijver

Beste schrijver,

 

Excuses voor deze onpersoonlijke aanhef, alsof wij elkaar niet door en door kennen. Je stond met me op en ging met me naar bed. Ik bezocht je in je dromen, je lachte en huilde om me. Je creëerde me, zonder jou zou ik er niet zijn geweest.

Nu jij me hebt losgelaten, heb ik de behoefte afstand van je te nemen.

Ik zie hoe je je wentelt in zelfgenoegzaamheid als er weer eens een van je vrienden een recensie heeft geschreven. Hoe je strooit met het aantal sterren van lezers. Alsof ik niet meer voor je besta. Alsof mijn worstelingen jou niet meer interesseren, nu je me in beton gegoten hebt.

Je zult nu ongetwijfeld zeggen: ‘Hoho, een boek is geen beton. Het papier is soepel en de bladzijden sla je in je eigen tempo om.’

Ik vraag je even stil te staan om naar mij te luisteren zonder pen, zonder toetsenbord.

 

Na deze inleiding kom ik tot de kern: ik klaag je aan.

Ten eerste vanwege je lafheid -ja dat is het- om mijn persoonlijkheid af te vlakken. Alle trekken van mij die kunnen schuren, poetste je weg. Je kneedde een oppervlakkig verhaal van me. Jouw tranen waren krokodillentranen, ik kan het niet anders zien.

Ten tweede vanwege je gebrek aan creativiteit: je schiep een tegenspeler die mij niet waardig is. Een slechterik zonder enige nuance, zodat jouw publiek alleen van mij zou kunnen houden. Waaraan heb ik dit verdiend? Waaraan heeft de lezer het verdiend dat je mij in zijn schoot wierp als een hapklare brok?

Ten derde vanwege je zelfgenoegzaamheid. Je dacht me door en door te kennen, maar heb je werkelijk de moeite gedaan je in mij te verdiepen? Je hebt een karikatuur van me gemaakt, een lieveling van het grote publiek. “Wat zeur je nu? Wat wil je dan?” Ik hoor het je zeggen.

Dat moge duidelijk zijn: ik wil dat je me laat zien met mijn lichte en schaduwkanten en niet als een clown die het publiek vermaakt.

 

Het boek is geschreven en ligt in de winkel. Ik kan niet anders dan in mijn lot berusten.

Wel vraag ik je in de toekomst mijn lotgenoten met meer respect en compassie te behandelen. Dat zal ongetwijfeld ten koste gaan van de ronkende verkoopcijfers. Je beloning zal zijn dat je kunt slapen met een rustig geweten. Dat je trots kunt zijn een echt mens te hebben geschapen. Dat je een schrijver bent die zijn naam met ere draagt.

 

Ondanks alles haat ik je niet. Beschouw deze brief dan ook als een blijk van waardering voor jou, als hoofdpersoonmijn schepper. Ik heb het goede met je voor. Ik houd je een spiegel voor. Heb de moed jezelf in de ogen te zien.

 

Jouw hoofdpersoon

 

 

©Nel Goudriaan, november 2021

Mevrouw Groen

Mevrouw Groen

 

Niemand in het dorp kent haar voornaam. Alle mensen  van vroeger zijn inmiddels overleden. De buurtbewoners noemen haar Mevrouw Groen. Met haar kwieke, jeugdige verschijning doet ze deze naam eer aan. Ze heeft een kordaat loopje, een gezonde roze kleur, een nog bijna rimpelloze huid en sprankelende ogen. Haar witte haren glanzen in de zon. Een glimlach geeft aan haar gezicht een zachte uitstraling.

Ze doet nog steeds haar eigen boodschappen. Fier rechtop loopt ze met een boodschappenkarretje naar de nabijgelegen supermarkt en groet de voorbijgangers vriendelijk. Ze verzorgt zelf haar weelderige rozentuin die een lust voor het oog is.

 

Op een gewone dinsdagmorgen zet mevrouw Groen koffie; ze vult haar kopje tot driekwart en schenkt er een wolkje melk bij. Ze knabbelt tevreden op een mariakaakje en neemt een slok van haar koffie.

De bel klinkt luid en duidelijk. Ze schrikt, wie kan dat zijn? De buren lopen meestal gewoon achterom, ze weten dat de sleutel onder de voordeurmat ligt. Een druppeltje zweet parelt langs haar voorhoofd; haar hart klopt sneller dan normaal.

Ze opent haar voordeur en kijkt in de ogen van een man die haar vaag aan iemand doet denken. Hij draagt een grijze hoed en een onberispelijke, zwarte mantel met daaronder glanzende schoenen. Met zijn koolzwarte ogen kijkt hij haar recht aan.

‘Dag Petronella Groen,’ zegt hij. Er gaat een schok door haar heen bij het horen van haar naam. ‘Hoe, hoe, weet u mijn naam?’ stamelt ze.

‘Ik ken jou, jij kent mij niet,’ antwoordt hij raadselachtig. ‘Ik kom je halen om je laatste wens in vervulling te brengen.’

‘Mijn laatste wens?’

‘Verbaast je dat? Me dunkt, je hebt er de leeftijd voor. Kom met me mee en laat je verrassen, je hoeft niets mee te nemen.’

Hij begeleidt haar naar het zwarte rijtuig dat voor haar huis klaarstaat. Ze stapt in en vraagt: ‘Duurt deze reis lang? In dat geval zou ik mijn buren moeten vragen de rozentuin te verzorgen.’

‘Tijd speelt geen rol, Petronella,’ antwoordt de man.

Ze besluit om zich helemaal over te geven en geen vragen meer te stellen. De cadans van het hobbelen van het rijtuig bezorgt haar een aangenaam gevoel, langzaam dommelt ze weg.

 

Ze ontwaakt in een sneeuwlandschap. Kinderen rijden op sleeën, de sloten zijn bevroren.

‘Stap maar uit,’ zegt de man. Hij plaatst een stoel aan de rand van de plas. Ze hoort het ijs zingen en kraken; ze ruikt de geur van verse chocolademelk.

De man reikt haar Friese doorlopers aan. ‘Bind ze maar onder, Petronella, en schaats nog eenmaal net als vroeger.’

Zonder aarzelen gaat ze in op zijn voorstel. Hij biedt haar een oude krant aan om onder haar trui te doen. ‘Dat helpt tegen de kou.’

Even later zet ze haar eerste schreden op het ijs en ze schaatst weg, alsof ze nooit anders gedaan heeft. Ze vergeet alles om zich heen; de wind suist om haar oren, de kou deert haar niet.

‘Zullen we?’ vraagt een jongen met heldere blauwe ogen en donkere krullen. Hij pakt haar hand en samen schaatsen ze verder.

De man met de grijze hoed wenkt haar. ‘Je tijd is voorbij, Petronella. We moeten verder.’

Hij rijdt met haar naar een huis in een smalle straat en geeft haar een sleutel. In de kamer staat een hoog-laagbed met daarin een man met een bleek gelaat. Zijn grijze krullen zijn dof en uit zijn ogen is het licht verdwenen. Toch herkent ze onmiddellijk de jongen van het ijs: haar Arnold met wie ze vijfenvijftig jaar het leven heeft gedeeld. Ze strijkt hem liefdevol over zijn gezicht. Hij opent zijn mond en zegt met zachte stem: ‘Tot spoedig, Petronella.’

 

Het rijtuig nadert een herfstbos. De paarden houden stil bij een vijver met daaromheen kastanjebomen en oude beuken. De grond ligt bezaaid met beukennootjes, kastanjes en herfstbladeren. Ze raapt handenvol bladeren, gooit ze in de lucht en laat ze neerdwarrelen op haar hoofd. Ze ziet vliegenzwammen en zingt spontaan het liedje van “kabouter Spillebeen”.

Dan valt haar oog op een groepje halfvergane reuzenzwammen. Verdriet overvalt haar, de tranen stromen over haar wangen.

‘Kom, we moeten verder,’ zegt de man.

 

Het zonlicht schijnt lieflijk over de bloemenweide vol klaprozen, korenbloemen en margrieten. In de weide spelen kinderen. Als ze Petronella zien, rennen ze op haar af met grote bossen bloemen. Ze vragen haar te gaan zitten. Een van de kinderen vlecht een kroon van margrieten en plaatst deze op haar hoofd. De andere kinderen vlechten een lange ketting van korenbloemen. Een jongetje biedt haar kersen en aardbeien aan op een zelfgemaakt bordje van gekleurd papier. Van de kersen maakt ze oorbellen, de aardbeien zuigt ze langzaam op. Ze hebben de volle smaak van weleer. Ze proeft het leven in volle glorie en wenst hier altijd te mogen blijven.

Onverbiddelijk klinkt de stem van de man: ‘We vertrekken, Petronella.’

 

‘We naderen onze eindbestemming,’ zegt de man. ‘Gebruik al je zintuigen, geniet en wees niet bang.’

Het rijtuig stopt in een park dat in volle bloei staat. Petronella gaat onder een boom liggen en kijkt door de roze bloesem omhoog naar de strakblauwe lucht.

 Ze sluit haar ogen en ziet een vrouw, haar gezicht is vertrokken van pijn. Ze slaakt harde kreten. Ze hoort de geruststellende stem van iemand die naast haar staat: ‘Je doet het goed, persen maar.’

Petronella krijgt het plotseling benauwd; om haar heen is het aardedonker. Dan voelt ze een oerkracht die haar voortstuwt naar het licht.

Na enige minuten klinkt het verlossende geluid van een huilende baby. De moeder slaat liefdevol haar armen om het kindje heen en legt het op haar borst.

‘We noemen haar Petronella,’ zegt ze trots.

 

‘Nu komt het moeilijkste, je laatste rit,’ zegt de man. ‘Ik doe het licht uit, je komt in een ruimte waar het volstrekt donker is. Denk aan een tunnel, waar geen einde aan lijkt te komen. Vertrouw erop dat daarna het licht weer schijnt in volle glorie.’

 

Na een paar dagen missen de buurtbewoners haar. Ze vragen elkaar: ‘Heb je mevrouw Groen gezien?’ Na verschillende ontkennende antwoorden gaan de naaste buren naar haar huis. Ze tillen de mat op om de sleutel te pakken en openen de deur,

In de kamer is ze niet te vinden. Ze lopen de trap op naar haar slaapkamer en zien daar mevrouw Groen. Ze ligt roerloos op haar bed met een glimlach op haar bleke gelaat. Naast haar staat een vaas rozen in volle bloei.

‘Wat mooi, ze is in haar slaap overleden en zo te zien heeft ze geen pijn gehad.’

Op het nachtkastje naast haar bed ligt een kaartje met een roze lint:

Geboren op 21 maart 1931, Petronella Groen …”

‘Pe-tro-nel-la,’ de buurvrouw spreekt haar naam langzaam uit. Elke lettergreep krijgt evenveel nadruk.

‘Nu kennen we haar bij de naam. Eindelijk.’

Ze sluiten samen de gordijnen en dalen de trap af.

 

Op weg naar de begraafplaats loopt een lange stoet dorpelingen achter de auto met de kist. Onderweg strooien ze rode en witte rozen uit. Het grijze asfalt verandert in een tapijt dat nog dagenlang zichtbaar blijft.

 

© Nel Goudriaan, juni 2021