Troostjas



Troostjas


Het dorp ligt er precies zo bij als twintig jaar geleden. Alsof ik nooit ben weggeweest: de eikenbomen met goudgele bladeren, de lange vaart achter de huizen, mijn ouderlijk huis met de donkerrode gordijnen. De sleutel ligt onder de mat, ik open de deur en ruik scherpe geuren van urine en ontsmettingsmiddelen. 

    Nu ben ik ziek. Kom alsjeblieft naar huis, waren de laatste woorden van de brief die hij me schreef. Woorden die constant door mijn hoofd dreunden en me lieten besluiten naar hem toe te gaan.

Mijn vader ligt roerloos in bed. Zijn huid is vaalbleek en zijn wangen zijn ingevallen. Dagenlang waak ik bij hem en vraag me af, of hij weet dat ik naast hem zit. Slechts zijn onregelmatige ademhaling is hoorbaar. Af en toe bevochtig ik zijn droge lippen met een wattenstaafje. De nachten duren eindeloos. Overdag komen er mensen langs om afscheid van hem te nemen. De meesten van hen ken ik niet. Zij kennen mij wel: hun blikken zeggen voldoende. Soms vraagt iemand aan me, waar ik het lef vandaan haal hier te zitten.

‘Hij is mijn vader,’ antwoord ik dan.

‘Dat had je eerder moeten bedenken,’ zeggen ze.

Na hun vertrek voel ik weer de beklemming en de schaamte. Heb ik het recht om hier aanwezig te zijn? Ben ik geen indringer in de intimiteit van zijn laatste kwetsbare uren?


Ik houd het niet langer uit in de kamer en loop naar de gang. Aan de kapstok hangt zijn lange beige jas, vol vlekken, Van binnen met bont gevoerd. 

‘De jas is voor jou. Draag hem met liefde ... ‘ schreef hij in zijn brief.

Met mijn handen strijk ik over de ruwe stof en denk aan de dag dat mijn vader terugkwam uit Parijs. Hij woonde daar een congres bij. Ik was een puber van vijftien die zich afvroeg waarom mijn moeder tijdens zijn afwezigheid voortdurend rode ogen had en steeds stiller werd. Hij kwam de kamer binnen en droeg een onbekende lange jas die bijna tot zijn enkels reikte. 

‘Wat draag jij nu?’ vroeg mijn moeder. ‘Je lijkt wel een zwerver. Heb je onder een brug geslapen?’ 

Op haar opmerking reageerde hij niet, hij zweeg slechts. Ik zag hoe zijn ogen zich met tranen vulden. Zijn jas rook naar modder, tabak en oud zweet. Ik probeerde contact met hem te krijgen, maar hij bleef onbeweeglijk staan.

Mijn moeder doorbrak de stilte met een vreemde hoge stem:

‘Gaan we deze keer zwijgen? Wil je mijn medelijden opwekken? Ga maar terug naar die mooie vriendin van je. Je denkt toch niet dat ik hierin trap?’

‘Ik heb geen ...’

‘Stop met je leugens en verdwijn. Ik heb je al te lang je gang laten gaan.’

Weer zie ik het spierwitte gezicht van mijn vader, een blik die alleen maar hulpeloosheid uitstraalde. Mijn moeder keek triomfantelijk.

Er kwam een blinde woede bij me naar boven; ik pakte mijn moeder bij de schouders en schreeuwde: ‘Heb je nu je zin?’

Ik schudde haar door elkaar. Mijn vader probeerde me te stoppen, maar ik was niet te temmen en sloeg haar. Ze wankelde, viel tegen de punt van een kast ...

Een schreeuw, daarna een doodse stilte. Sindsdien ben ik niet meer in mijn ouderlijk huis geweest.


Hoe lang ik met de jas in mijn handen heb gezeten, weet ik niet meer. Ik keer terug naar mijn vader. Het is stil in de kamer, maar deze stilte is zo intens dat ik er bang van word. Mijn hand leg ik op zijn wang, hij ademt niet meer. Ik was zo dichtbij en toch stief hij in eenzaamheid. Ik bel een arts en wacht op zijn komst. 

‘Je vader is overleden,’ constateert hij. 

Ik strijk zijn ogen met mijn vingers dicht. ‘Pa, het spijt me dat ik niet bij je was in de laatste minuten. Ik houd van je.’ Dan neem ik de jas van de kapstok en ga naar buiten. Het regent, maar dat deert me niet.


Hij zocht me nooit op in de internaten waar ik sindsdien verbleef, ook niet toen ik hem schreef dat ik een eigen woonplek gevonden had. Ik heb gehuild, geschreeuwd en hem  gesmeekt naar me toe te komen. Antwoorden bleven uit. Tot een week geleden opeens een brief op mijn mat lag met zijn karakteristieke handschrift. Het leek erop dat hij de brief al langer geleden begonnen was. Zijn handschrift wordt steeds onduidelijker en is aan het eind bijna onleesbaar. De inhoud drong nauwelijks tot mij door: een ding wist ik zeker: ik moet naar hem toe.


Ik schuil in een portiek en lees de brief opnieuw.


Jongen,

Vergeef me dat ik je nooit ben komen opzoeken. Na die fatale dag leek het, alsof ik van binnen van steen geworden was. Maandenlang heb ik het huis niet verlaten, zelfs je moeders begrafenis heb ik niet bijgewoond. Familie en buren brachten me eten, maar daar kan ik me nauwelijks iets van herinneren.

Nu besef ik dat jij toen voor mij in de bres sprong. Zo ver had ik het nooit mogen laten komen. Ik had je moeder al veel eerder de waarheid moeten vertellen. Jij was nog een kind, een puber en daarmee heb ik geen enkele rekening gehouden. Ik heb jouw leven geruïneerd. Spijt is daarvoor een te klein woord ...

Mijn vader rept over spijt alsof hij een dader is. Het voelt alsof de grond onder mijn voeten wegzakt. Regelmatig vroegen begeleiders me of ik spijt had van mijn daad, maar ik moest het antwoord schuldig blijven. Alsof een ander, niet ikzelf, de slag had toegebracht. Als ik terugkijk naar mijn leven de laatste jaren, voel ik  leegte. Hele dagen zat ik binnen en kwam alleen maar buiten om boodschappen en drank te halen. Mijn vrienden lieten het afweten na de zoveelste keer dat ik ze de toegang tot mijn huis ontzegde. 

De brief verkreukelt in mijn handen, ik vouw hem recht en lees verder:

     Je hebt recht op de waarheid. Zodra ik in Parijs aankwam, wisselde ik mijn nette pakken om voor joggingbroeken met oude truien en zocht naar mijn vriend Peter. Hij was dakloos, verslaafd en sliep onder bruggen. Vaak was hij ziek. Meestal was hij te beneveld om me te herkennen, maar soms was er even contact. We sliepen dan samen, dicht tegen elkaar aan, zoals we vroeger tijdens het schoolkamp in de tent sliepen. Soms huilde hij en dan sloeg ik mijn armen om hem heen.

Hij was mijn grootste liefde; ik koos niet voor hem, maar voor het veilige leven in een gezin. Ik heb hem verraden, mezelf verraden, maar ook jou en je moeder. Ik bracht de spanningen in ons gezin, kon je moeder niet geven waarop ze recht had. Het kostte haar het leven. Een ongeluk waarvan jij de gevolgen droeg ...


Dit moet ik hebben aangevoeld die avond toen ik zijn wanhopige blik zag. De blik die mij achtervolgde in mijn dromen, al die jaren lang. Waarom heb ik zelf niet meer moeite gedaan om hem te ontmoeten? Kou trekt op vanuit mijn botten. Ik sla zijn jas als een warme deken om me heen. De jas, die hij voor zijn vriend kocht, de jas die hij aanhad op die fatale avond. Nu gaf hij die jas door aan mij als een betoon van zijn liefde.


Het was Peters lievelingsjas; hij woonde erin. Als we samen sliepen, sloeg hij hem open en legde een deel daarvan op mij. Toen ik de laatste keer in Parijs was, lag hij in een ziekenhuis met een zware longontsteking. Onherkenbaar in een bed met witte lakens. Het leek alsof hij op me had gewacht. Over een stoel hing zijn jas. Hij wees ernaar. Daarna sloot hij zijn ogen voorgoed.

Van onze liefde bleef alleen de jas over. Ik schenk hem na mijn dood aan jou, mijn zoon. Draag hem met liefde.


Langzaam dringt de waarheid tot me door: de eenzaamheid van mijn vader. Nooit heb ik hem gekend, niemand kende hem. Ook mijn moeder niet. Nu is de tijd voorbij om hem nog te leren kennen. Wat rest is deze brief en de jas. Ik ben de enige met wie hij zijn geheim deelde. Tranen stromen over mijn wangen, ik voel verdriet, maar ook opluchting. Alsof er nu pas ruimte vrijkomt om ook aan mijn moeder te denken. Alsof wolken wegtrekken voor de zon.


Weer thuis kijk ik met afschuw naar mijn aanrecht vol bierblikjes, pizzadozen en lege flessen. Alles kieper ik in een vuilniszak. De ramen zet ik open. Ik weet niet hoe ik mijn leven moet veranderen, maar zoals het was, kan het niet langer. Dat ben ik aan hem verplicht.


Ik trek zijn jas aan, ruik zijn geur. Dan fiets ik naar de plas: de plek waar ik zo vaak heb gezeten als alles me te veel werd. Mijn vader hield van het water. Vroeger gingen we vaak samen vissen. Boven het water schijnt de oktoberzon. Bomen dragen gele en oranje herfsttinten Een fuut zwemt voorbij. Ik zie mezelf in de spiegel van het meer. Voor het eerst van mijn leven ervaar ik een zweem van geluk.