Illustratie Judith Zijtregtop
Illustratie Judith Zijtregtop

Henk en Anja in tijden van Corona

 Zeep

 

‘Henk, de handzeep is op. Zullen we nieuwe halen bij het Kruidvat?’

‘We nemen gelijk papieren zakdoekjes en desinfecterende gel mee.’

Als ze bij de winkel aankomen, is er nauwelijks nog een boodschappenmandje te vinden. Henk pakt de laatste. Regelrecht lopen ze naar de afdeling handverzorging. Vlak voor hun neus neemt een vrouw de laatste flacon uit het schap.

‘Wat nu?’ zegt Anja.

‘Meisje, we kopen een ouderwets stuk zeep voor ons tweeën.’

Bij de kassa krijgt Henk een kriebel in zijn neus. Hij niest.

Mensen uit de rij springen verschrikt opzij.

‘Nies in je elleboog,’ sommeert de kassière.

 

Supermarkt

 

Anja reikt Henk een paar plastic handschoenen aan.

‘Hoezo, Anja, we gaan toch naar de supermarkt?’

‘Ik vertrouw het niet, iedereen zit met zijn handen aan die karretjes.’

Henk fronst zijn wenkbrauwen. ‘Je moet niet overdrijven, Anja.’

‘Lieverd, ik wil je nog niet missen.’

‘Vooruit dan maar,’ zegt hij met een glimlach.

Bij de kassa glippen de bankbiljetten uit de handen van Henk.

Van schrik doet hij zijn handschoenen uit en pakt het geld van de vloer.

Met een rood hoofd betaalt hij de boodschappen.

Anja pakt alles met blote handen in. ‘Het heeft nu toch geen zin meer.’

 

Vitamines

 

‘Zullen we een voorraadje sinaasappels inslaan?’ stelt Henk voor.

‘Ze zijn zuur en lastig te pellen,’ antwoordt Anja.

‘Dat doe ik voor je, meisje.’

‘We kunnen ook vitamine-C-pillen kopen.’

‘Er gaat niets boven een sappige sinaasappel met vezels.’

Ze hebben geluk: twee netjes halen, één betalen.

Henk pelt de sinaasappels en snijdt ze in partjes.

‘Deze zijn lekker zoet.’ Anja eet met smaak van de vrucht.

‘Dat zei ik toch.’

Dan gaat het mis: Henk verslikt zich en loopt rood aan.

Anja klopt hem op de schouder en de pit schiet omhoog.

‘Het was bijna je dood,’ snikt ze.

 

Hamsteren

 

‘Henk, heb je het boodschappenlijstje klaar?’

Hij leest voor:

-14 blikjes doperwten en bruine bonen

-14 potten appelmoes

-14 rollen beschuit en pakken crackers

-vissticks uit de diepvries

-toiletpapier

-boter, kaas en eieren

-paracetamol en Vitamine-C

‘Voorlopig hebben we genoeg,’

Anja doet de hygiënedoekjes in haar handtas en ze gaan op weg.

In de supermarkt reinigt Henk zorgvuldig de scanner en de handgreep van het karretje.

‘We rekenen niet bij de kassa af, die verkoopster zit overal met haar handen

aan.’

Bij de betaalautomaat toetst Henk de pincode in.

Anja schrikt. ‘Lieverd, we zijn vergeten de toetsen te reinigen.’

 

Voetzoenen

 

‘Het is tijd om naar bed te gaan. Henk en Anja wassen voor de laatste keer die dag hun

handen.

Henk wil Anja een nachtzoen geven, maar Anja wendt haar hoofd af.

‘Lieverd, laten we dat maar niet doen. Stel dat we allebei ziek worden. Wie kan voor ons

zorgen?’

‘Wat doen we dan? Een boks met de elleboog?’

‘Nee, daar niezen we de hele dag in.’”

Henk trekt zijn sokken uit. ‘Zullen we dan maar voetzoenen?’

‘Hihi,’ giechelt Anja. ‘Dat is lang geleden.

Ze trekken hun gestreepte pyjama’s aan en liggen lepeltje lepeltje, de voeten

tegen elkaar aan.

 

Dilemma

 

De telefoon rinkelt. Henk neemt op, het is Rita van de quiltclub.

‘Kunnen jullie voor ons naar de supermarkt? Kees en ik zijn verkouden en hebben

koorts.’

‘Naar voor jullie, ik bespreek het even.’

Anja schuift heen en weer op haar stoel. ‘Wat moeten we? We hebben juist voor twee

weken boodschappen gehaald.’

‘Zal ik voor hen een tas klaarmaken van onze voorraad?’

Anja knikt.

‘Rita, ik zorg ervoor dat jullie eten in huis hebben. Ik bel aan en zet de tas voor de

deur. Ik kom niet binnen.’

Henk zucht. ‘Ik hoop niet dat er meer zieken komen.’

 

Boekenweek

 

‘Henk, zullen we een boek kopen?’

‘Hoezo, Anja, we hebben toch al een boek?’

‘Als we in quarantaine moeten, hebben we tenminste iets te lezen.’

‘Daar zeg je zowat.’

‘Omdat het Boekenweek is, krijg je een boek cadeau.

Met het Boekenweekgeschenk kunnen we zondag gratis in de trein naar

nicht Annie in Maastricht.’

‘Goed plan. We kopen twee boeken, dan hebben twee treinkaartjes.’

Anja kiest de trilogie ‘Berend en Bertha’, Henk pakt een deel van de Baantjer reeks.

Blij fietsen ze naar huis.

Dan bedenkt Anja opeens: ‘Als we binnen moeten blijven, kunnen we helemaal niet met de trein.’ 

  

Vissticks

 

Anja kijkt naar buiten. ‘Wat is het stil op straat.’

‘De markt gaat vandaag niet door, las ik,’ antwoordt Henk. ‘Gelukkig hebben we

genoeg vissticks in huis.’

‘Er gaat niets boven verse schol, maar het is even niet anders.’

Anja laat boter smelten in de koekenpan en doet er twee vissticks bij. ‘We

moeten zuinig zijn, lieverd. Vandaag ieder één in plaats van twee; van het

blikje doperwten kunnen we twee dagen eten Ik zet de kleine borden neer met

dessertlepels. Dan genieten we er langer van.’

Henk en Anja smikkelen. Dan gaat de telefoon: de buurvrouw is ziek.

 

 Spelen

 

‘Henk, ik ben bang.’ Anja veegt de tranen van

haar gezicht. ‘De buurvrouw is ziek, het zal niet lang meer duren ...’

‘Stil maar meisje.’ Henk pakt Anja bij de hand. ‘We

blijven zoveel mogelijk binnen en we zetten bij de buurvrouw eten voor de

deur.’

Henk schuift de vlizotrap uit en gaat naar de zolder. Even later komt hij terug met een doos bordspellen. ‘Laten we mens-erger-je-niet spelen, dan vergeten we de problemen even.’

Even later vliegen de pionnen door de kamer.

‘Nu weet ik weer waarom we het spel naar boven brachten,’ lacht Anja.

 

Bruine bonen

 

‘Anja, hebben we nog ergens wc-papier? Het is bijna op.’

‘De laatste keer was er nog maar één pak met vier rollen bij de supermarkt. We moeten zuinig zijn.’

‘Ik verzin wel een oplossing, meisje.’ Henk pakt een stapel kranten en een schaar. Hij knipt brede repen en legt deze in een schoenendoos. ‘Zo, we kunnen weer een tijdje

vooruit.’

‘Wat zullen we straks eten?’ vraagt Anja.

‘Bruine bonen met appelmoes, Lekker en makkelijk.’

Na de maaltijd rent Henk naar het toilet. Het duurt even voordat hij terugkomt. ‘O, Anja, het gaat nu wel heel hard met het papier.’

 

Geluk

 

‘Anja, zullen we het erop wagen naar de supermarkt te gaan? Misschien is er weer wc-papier.’

Het is rustig op straat. Henk loopt anderhalve meter voor Anja uit.

In de supermarkt nemen ze geen kar. ‘We hebben verder niets nodig,’ zegt Anja.

Opeens staat Henk stil. De vakkenvuller plaatst grote pakken toiletpapier in de schappen. Één per klant staat er met grote letters boven.

Henk omklemt het pak als een grote schat.

‘Wat moeten wij met vierentwintig rollen?’ vraagt Anja.

‘Ik leg tien rollen op de stoeprand.’

‘Leuk, dan kijken we vanaf het balkon wie er één  meeneemt.’

 

Huisvlijt

 

Henk en Anja zitten aan tafel. Anja sombert. ‘Voorlopig kunnen we niet naar de quiltclub. Ik mis het heel erg.’

‘Ik heb een idee,’ zegt Henk, ‘we hebben genoeg stof in huis, zullen we mondkapjes maken? Ik zag ergens een patroon.’

Henk zet de naaimachine klaar.

Hij zoekt een paar gebloemde en geruite lapjes uit en knipt de mondkapjes op maat.

Even later snort de machine. ‘Ik maak een extra vakje voor een papieren zakdoekje,’ roept Anja. De stapel groeit, van elke stof maakt ze twee mondkapjes.

‘Vandaag dragen we de geruite, dan zijn wij veilig in de supermarkt.”

 

Wegdromen

 

‘Henk, kom eens gauw,’ roept Anja opgewonden vanaf het balkon. De stille ruimte tussen de flats is gevuld met vrolijke draaiorgelmuziek. Henk rent naar buiten en slaat zijn arm om Anja heen. ‘Wat heb ik dit gemist, meisje.’

‘Als de lente komt, dan breng ik jou tulpen uit Amsterdam,’ speelt het draaiorgel. Buren komen naar buiten en zingen luidkeels mee. Henk en Anja mengen zich in het koor.

‘Wat lijkt het lang geleden,’ zucht Anja. ‘Elke vrijdag op de markt kibbeling eten en daarbij deze vrolijke muziek.’

‘Ik maak een blikje tonijn open, dan eten vis op ons balkon.’

 

Maatregelen

 

Henk kijkt stil voor zich uit. De krant ligt opengeslagen op de salontafel.

‘Wat is er, lieverd?’ vraagt Anja.

‘Het gaat niet goed, steeds meer zieken. We mogen niet meer samen de supermarkt binnen.’ ‘Ons enige uitje.’

‘Zo leuk was het de laatste keer niet, al die mensen die met een boog om elkaar heenliepen en boos keken toen we te lang bij de groenten stonden.’

‘Wat doen we? Ga jij alleen, Henk?’

‘Ik weet een oplossing. We verdelen de boodschappen, komen na elkaar binnen en nemen ieder een eigen kar.’ ‘We kunnen af en toe naar elkaar zwaaien.’

 

 Ochtendwandeling

 

Het is zes uur. Henk is klaarwakker. ‘Opstaan, meisje, we gaan op pad. Ik wil niet weer de hele dag binnen zitten.’

Anja wrijft in haar ogen. ‘Het is nog vroeg.’

‘Precies, er is nu nog niemand buiten. We lopen een rondje om de plas. Nog gezond ook, anders groeien we dicht.’

Ze kleden zich in donkerblauwe joggingbroeken met witte T-shirts en doen de gebloemde mondkapjes om. ’Niemand ziet ons.’

De kou deert hen niet, met ferme pas lopen ze door. ‘Kijk, Anja, een vrouwtjesmeerkoet op haar nest, het mannetje heeft takjes in zijn bek. Alles gaat gewoon door.’

 

Zwaaibezoek

 

‘Henk, welke dag is het vandaag?’

‘Donderdag.’

‘Alle dagen lijken op elkaar, ik raak de draad kwijt,’ zucht Anja. ‘We zouden vanmiddag naar de quiltclub zijn gegaan.’

Henk staat op en loopt onrustig heen en weer. ‘Ga toch zitten, lieverd,’ zegt Anja.

‘Vandaag weet ik het even niet, meisje. Alles is anders.’

Stil zitten ze tegenover elkaar.

Dan roept Anja enthousiast: ‘Ik heb een idee. We knippen bloemen van lapjes en plakken ze op kaarten.’

‘Goed plan, ik weet nog iets, we bezorgen ze persoonlijk bij onze quiltvrienden in de brievenbus. We bellen aan en zwaaien voor het raam.’

 

Kapsalon

 

‘Henk, mijn haar springt alle kanten op, ik zie er niet uit.’

‘Lieverd, het valt wel mee.’

‘Kijk nu toch eens en ik heb uitgroei en kan niet naar de kapper.’

‘Ik vind je mooi zoals je bent.’

‘Zo kan ik niet naar buiten.’

‘Weet je wat, meisje, ik koop bij de drogist verf. Ik tover je om tot een fotomodel.’

 

Met zorg brengt Henk de haarverf aan. Na het wassen knipt hij een paar lange lokken weg en zet krulspelden in. Trots houdt hij Anja de spiegel voor.

‘O, Henk, mijn haren zijn knaloranje.’

‘Nieuwe mode,’ lacht hij.