Henk en Anja (1)

Ze steken tegelijkertijd hun hand op als ik ze groet, Dat vereist enige acrobatiek, als je hand in hand fietst. Ik zie ze meestal van ver aankomen: Henk en Anja in dezelfde rode windjacks. De boodschappen puilen uit hun blauwgeruite fietstassen. Ze dragen beiden stevige, donkerbruine sportschoenen met beige sokken. Twee keer per week maken ze een wandeling door weer en wind. Hun rode konen kleuren dan goed bij de windjacks.

Stiekem verdenk ik ze ervan dat ze in dezelfde flanellen pyjama's slapen.

 

Op een dag kom ik Henk tegen: hij is alleen. Zijn rode windjack staat open. De veters van zijn schoenen zijn los.

‘Waar is Anja?' vraag ik.

Hij kijkt me wezenloos aan.

‘Ze is een dagje weg.'

Henk en Anja (2)

Al jarenlang zijn Henk en Anja lid van de quiltclub die elke vrijdagavond samenkomt. Ze zijn ooit begonnen met het maken van placemats die ze op verjaardagen hun neven en nichten cadeau doen.

Elke donderdag fietsen ze samen naar de markt om stofjes uit te zoeken. Henk let op de kwaliteit en Anja op de kleuren. Na afloop eten ze kibbeling. 

‘Eén bakje met twee vorken,’ roept de visboer al, als hij ze ziet aankomen.

 

Henk snijdt de stukjes stof met een uiterste precisie op maat en bedient de naaimachine. Anja sorteert de lapjes op kleur en motief. Een bijzonder uitdagend project deze keer: twee identieke quiltjacks die ze elkaar als verjaardagscadeau zullen schenken. 

‘We hebben het maar goed samen.’

Henk en Anja (3)

Snikkend komt Anja uit de spreekkamer van de huisarts. Henk staat verschrikt op: ‘Maar lieverd, wat is er aan de hand? Was ik nu toch maar met je mee naar binnen gegaan.’

‘Hij zei, dat ik niet zo ductiel meer ben op mijn leeftijd.’

‘Wat?’

‘Niet soepel, niet buigzaam.’

Henk wordt rood, zoals altijd als hij verontwaardigd is. ‘Is die man nu helemaal gek geworden? Als er één soepel is, ben jij het wel. We fietsen dagelijks ons rondje, we zijn lid van de quiltclub, we wandelen naar de markt …’

‘Dat is het hem nu juist. De dokter zei dat ik meer afwisseling nodig heb, maar dat wil ik niet.’

‘Dat lossen we samen op: we veranderen gewoon van huisarts.’

Henk en Anja (4)

Al vroeg heeft Henk de verjaardagsdoos van zolder gehaald om de kamer te versieren. De slingers hangt hij op aan de -daarvoor bestemde- spijkers en over de stoel van Anja hangt hij een bloemenkrans van crêpepapier.
Zoals elk jaar maakt hij haar lievelingsontbijt klaar: toast met honing en een gebakken ei.

Anja komt stralend binnen. Als ze in de stoel plaatsneemt, maakt Henk een rondedansje en zingt daarbij: ‘Lang zal ze leven …'
Het is tijd voor het cadeau. Hij geeft Anja de bekende roze envelop. 
‘Oh heerlijk, Henk, een midweek naar ‘ons’ huisje in Putten.
‘Kijk eens op de achterkant.’
'Het is je weer gelukt: nummer vijfenvijftig.'
‘Volgend jaar nummer zesenvijftig, zegt Henk en hij geeft haar een dikke pakkerd.

Henk en Anja (5)

‘Het lukt nooit om alles op tijd in te pakken.’

‘Rustig, meisje, het komt allemaal goed. De tas met worteltjes, sperzieboontjes, bloemkool en aardappelen staat al klaar. Vis en vlees kopen we op de markt in Putten.’

‘Vergeet je de fietstassen en de regenjacks niet?’

Uitgeput strompelt Anja de auto in. ‘Zullen we volgend jaar maar thuisblijven?’ 

‘Als we eenmaal in ons paradijsje in het bos zijn, ben je de drukte weer snel vergeten.’

‘Over vergeten gesproken: hebben we de quiltkoffer bij ons?’

‘Natuurlijk, die heb ik als eerste in de kofferbak gelegd.’

 

Na een uur rijden, bereiken ze het huisje.

Nadat de koffers zijn uitgepakt en de koelkast is ingericht, roept Anja verheugd:

‘We zijn er even helemaal uit.’

Henk en Anja (6)

‘Geweldig, we hebben een frituurpan gewonnen met de Bingo!’ juicht Anja. 
‘Ben je niet blij, Henk? Je bent zo stil.
Wat is er met je? Zal ik een kopje koffie voor je inschenken?’
‘Nee, ik heb al genoeg koffie op vanavond.’
‘Een biertje dan?’
‘Ik ga naar bed.’
Anja blijft verbouwereerd achter. Wat mankeert Henk toch? Is hij niet blij met de gewonnen prijs? Had ze misschien toch voor de maaimachine moeten kiezen?
‘Wie was die rare vent die jou gisteravond vol op de mond kuste?’
‘Dat was Peter, mijn vroegere buurjongen. We waren ooit verliefd.’
‘Dat is geen reden je nu nog te zoenen.’
‘Hij feliciteerde me alleen maar. Kom op, Henk, vanavond bak ik lekkere patat voor je.’

Henk en Anja (7)

‘Sur le pont d’Avignon,

On y danse …’

 

Anja ontwaakt met een grote glimlach. De afgelopen nacht heeft ze sinds lang weer gedroomd: ze danste met Peter op de brug in haar ruisende, rode rok. Ze droeg bijpassende pumps met hoge hakken. Ze lachten en kusten elkaar.

Ze denkt terug aan de gelukkige tijd met hem: Peter met zijn gekke invallen, hij was altijd in voor iets nieuws. Op een dag vertrok hij naar Parijs, zonder haar.

Hoe zou een leven met Peter zijn verlopen? Spannend, maar zou ze zonder de stabiliteit van Henk kunnen? Een onbeantwoorde vraag, een som zonder uitkomst.

 

‘Ben je al wakker, Anja? Wat ben je laat vandaag. Ik heb alvast onze spijkerbroeken en rode T-shirts klaargelegd.’

Henk en Anja (8)

'We zijn geluksvogels, alweer een prijs gewonnen, nu bij de BankGiro Loterij,’ roept Henk blij.

‘Wat winnen we?’

‘Een volledig verzorgd bezoek aan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.’

‘Is dat niet het museum met zalen vol mummies? Ik weet niet, of ik daar nu zo’n zin in heb.’

‘Kom op, Anja, er is een gratis lunch bij.’

‘Alsof ik kan eten in zo’n omgeving vol doden.’

Na wat heen-en-weergepraat is Anja om. Ze gaan welgemoed op reis.

 

Voor het museum staat een lange rij prijswinnaars; allemaal met hetzelfde kaartje.

‘De wachttijd is momenteel anderhalf uur,’ wordt er omgeroepen.

‘Henk, laten we gaan. We kopen een heerlijk broodje met worst bij Slagerij van der Zon.’

‘Wát zeg je, Anja? Heer-lijk?’

Henk en Anja (9)

‘Henk, wat doe je nú?’ roept Anja uit, als er plotseling een geelgroene fluim met een boog op de tafel terechtkomt.

Henk antwoordt niet; er volgt een onbedaarlijke hoestbui.

‘We hadden niet zonder onze windjacks moeten gaan fietsen. Je hebt vast kougevat.’

Ze kijkt ongerust naar zijn hoogrode konen en ruimt de tafel af. In eten heeft ze geen zin meer…

‘Je kunt beter naar bed gaan, jochie.’

 

Anja loopt rusteloos heen en weer door de kamer. Haar blik gaat naar de lege stoel voor het raam. Nadat ze de quiltclub heeft afgebeld, schenkt ze een kop koffie voor zichzelf in zonder het gebruikelijke mariakaakje. Er wacht een lange middag.

Ze besluit een warme wollen sjaal voor Henk te breien.

 

Henk en Anja (10)

‘Henk, hier een brief met de vraag of we voldoende verzekerd zijn bij brand.’

‘Hoe kan ik dat weten, Anja. We betalen al jaren hetzelfde bedrag; onze meubels worden steeds ouder.’

‘Je moet je inboedelverzekering up-to-date houden, staat er.’

‘Bah, wat een naar woord: up-to-date. Het gaat om onze geliefde spullen. En inboedel doet me denken aan een begrafenis en een leeg huis.’

‘Wat ben je toch somber de laatste tijd. Sinds die verkoudheid zeg je zulke vreemde dingen.’

‘Nee, ik ben realistisch. Een inboedel is niets waard. Als je doodgaat, mag je blij zijn wanneer de kringloopwinkel alles gratis ophaalt.’

‘Weet je wat, Henk? We zeggen die verzekering gewoon op. Dan hebben we geld over voor een nieuwe matras.’

Henk en Anja (11)

Het is zondagmiddag. Henk nipt aan zijn glas jenever en Anja lepelt advocaat met slagroom.

‘Weet je wat ooit mijn jongensdroom was?’

‘Werken op de visafslag in IJmuiden,’ grapt Anja.

‘Ik wilde boswachter worden. Elke dag zou ik in de vroege morgen naar de herten kunnen kijken. Eigenlijk zou ik -voordat er een stoet achter mijn baar aanloopt- nog één keer zo’n prachtig mannetjeshert met een gaffel-gewei willen zien.’

‘Henk, doe niet zo somber. Van een verkoudheid ga je niet meteen dood.’

‘Maar als ik de hoofdprijs van de loterij zou winnen, kocht ik voor ons samen een huisje in het bos.’

‘Eerst maar helemaal beter worden, lieverd. Ik koop wel een lot voor je. Deze keer winnen we vast.’

Henk en Anja (12)

‘Anja, het wordt tijd dat we de dozen op zolder opruimen. Ik kan jou daar niet alleen mee laten zitten, als ik er niet meer ben.’

‘Wat ben je somber, Henk, maar je hebt gelijk: we moeten eens wat oude spullen wegdoen.’

 

‘Kijk nu eens, wat ik vind!’

‘Dat is het vijftigdollarbiljet dat we ooit kregen van Peter uit Amerika. We zouden het bewaren voor mindere tijden.’

‘Dat was toen wel tweehonderdvijftig gulden waard. We zijn rijk, Henk!’

‘Ik ga meteen naar de bank.’

 

‘Je kijkt helemaal niet blij. Was de bank soms dicht?’

‘Nee, de dagkoers voor de dollar was maar vierentachtig cent. Er blijft tweeënveertig euro over.’

‘Beter dan niets.’

‘We bewaren het biljet tot de koersen stijgen.’

Henk en Anja (13)

'Henk, zullen we eindelijk lid worden van het Operettekoor?’

‘Is dat niet te hoog gegrepen voor ons, Anja?’

‘Herinner je nog de laatste uitvoering van Amuserette in De Pekhoeve in Ulvenhout? Geweldig, ik wilde toen al direct meedoen.’

‘Ja, heerlijke Weense Schrammelmusik, maar moeilijk om te zingen, lijkt me.’

‘We moeten wel een zangtest doen, heb ik gehoord. Zullen we alvast samen oefenen?’

 

‘Nee, Henk, je moet iets hoger inzetten, anders klinkt het vals. Nog maar een keer: do re mi fa sol la si do …’

 

‘Ik begrijp er niets van: zo goed geoefend en nu nul op het rekest. Onze stemmen zouden niet matchen met de andere.’

‘Gelukkig hebben wij zo’n modewoord niet nodig om samen gelukkig te zijn.’

Henk en Anja (14)

Voorzichtig dept ze met een vochtig wattenstaafje zijn kurkdroge lippen. Zijn ogen zijn gesloten en zijn ademhaling is onregelmatig.

‘Henk,’ fluistert ze, ‘laat me niet alleen achter.’

Hij antwoordt niet. Zijn altijd zo blozende gezicht is bleek en ingevallen.

 

Anja sluit haar ogen en ziet weer de beelden aan zich voorbijtrekken: Henk, die plotseling voorover valt, als hij zijn kopje koffie wil pakken, de ambulance, het ziekenhuis. Ze hoort de dokter weer zeggen: ‘Ik kan helaas niets meer voor hem doen.’

‘Dan wil ik dat hij naar huis komt.’

 

Nu ligt hij daar stil in bed, alsof hij dadelijk wakker kan worden. Ze legt twee gelijke stapeltjes kleren klaar. Ze strijkt hem zacht over zijn voorhoofd, dat al koud aanvoelt.

Henk en Anja (15)

In de linnenkast liggen de stapels T-shirts erbij zoals altijd. Anja pakt automatisch twee rode. Ze rilt. Vroeger had ze het altijd warm, maar sinds Henk er niet meer is, kan ze de verwarming niet hoog genoeg stoken.

Vandaag gaat ze voor het eerst alleen naar de quiltclub. Ze waren met zijn allen op de begrafenis aanwezig. Over de kist lag het kleed dat ze speciaal voor deze gelegenheid maakten. Henk had de lapjes stof nog zelf gesneden enkele maanden geleden …

 

‘Blijf alsjeblieft komen, Anja,’ zeiden ze, ‘het leven gaat door.’

Het liefst zou ze diep onder de dekens wegkruipen.

‘Niet bij de pakken neerzitten, meisje,’ zei Henk altijd.

Ze staat op en trekt de twee T-shirts over elkaar aan.

Henk en Anja (16)

‘Henk, ik ga niet meer naar de quiltclub. Zonder jou is er niets meer aan. Zal ik je iets vertellen? Ik ging alleen voor jou. Dat gepriegel is eigenlijk niets voor mij.’

Het blijft stil. Anja strijkt over de koude fotolijst.

‘Je vindt het toch niet erg? Ze waren lief voor me, maar toen Joop opeens een arm om me heen legde en vroeg: ‘Gaat het wel, meisje?’ brak er iets in me.

‘Ik bén je meisje niet,’ riep ik en vertrok.

 

Een zonnestraal schijnt de kamer in. Het lijkt heel even of er een glimlach komt om de mond van Henk.

Anja smeert een paar boterhammen met pindakaas. Ze smaken haar niet.

Er wacht haar nog een lange middag.

Henk en Anja (17)

‘Het moet er maar er eens van komen: vandaag ruim ik de zolder op,’ zegt Anja. Ze strijkt met haar hand over de foto van Henk.

Voorzichtig stapt ze op de smalle vlizotrap. Er staan een groot aantal dozen en enkele koffers. Ze opent een grote donkerrode met stripboeken van Henk. Nooit heeft ze begrepen wat hij erin zag: al die rare plaatjes. Veel liever leest ze een fijne roman.

Dan valt haar oog op het crèmekleurige mandje, met daarin een bruine teddybeer, witte rompertjes, een rammelaar …

Alles gloednieuw en onaangeraakt.

 

Ze neemt de beer uit de mand en loopt naar beneden.

‘Je mag bij me slapen vannacht. Te lang lag je daar alleen.’

Over haar wangen stromen warme tranen.

Henk en Anja (18)

Het waait hard. Anja is op weg naar de supermarkt. Uit gewoonte kijkt ze af en toe of Henk naast haar fietst. Bij harde wind kon hij haar de laatste tijd slecht bijhouden. Achteraf waren er meer signalen dat het niet goed met hem ging …

 

Bij de afdeling groenten en fruit zijn rode paprika’s in de aanbieding. Ze aarzelt. Henk hield er niet van en daarom kochten ze deze nooit. Is het geen verraad aan hem een gerecht met paprika’s te maken?

 

In de keuken geurt het naar goulash. Anja betrapt zich erop dat ze een vrolijk melodietje neuriet. De eerste hap is een aangename verrassing. Ze denkt terug aan een kampeervakantie lang geleden.

‘Het spijt me, Henk,’ fluistert ze.

Henk en Anja (19)

‘Het lijkt alsof de dagen langer duren sinds jij er niet meer bent,’ zegt Anja hardop tegen de foto van Henk. Ze spuit Glassex op het lijstje, waardoor zijn ogen nog meer glanzen.

 

‘Ga naar buiten, meisje,’ zou hij gezegd hebben.

Ze neemt de fiets uit de schuur en rijdt naar de supermarkt. Vandaag heeft ze zin in stamppot rauwe andijvie met uitgebakken spekjes. Henk was er gek op. Automatisch kiest ze de vertrouwde plastic zakken voor twee personen.

 

‘Hoe gaat het met jou, Anja?’ klinkt plotseling een bekende stem.

Ze schrikt. Wat moet ze zeggen? Een kort en bondig antwoord heeft ze niet.

‘Heb je gasten vanavond? Je karretje is zo vol.’

‘Wil je mee-eten?’ stamelt ze. 

Hij knikt.

Henk en Anja (20)

 

Anja stampt rauwe andijvie door de aardappelen. Nu de spekjes nog en een scheutje azijn.

‘Zal ik je helpen de zware pan te dragen?’ klinkt het vanuit de kamer.

Even lijkt het of Henk er weer is, maar het is Bert die de pan uit haar handen neemt.

 

‘Dat ziet er heerlijk uit, Anja.’

‘Het lievelingskostje van Henk.’

Het voelt onwennig hier samen te zitten. Ze kent Bert al jaren van de quiltclub. Vorig jaar overleed zijn vrouw.

Hij neemt grote happen met zijn vork. Smakkend zegt hij: ‘Gezellig om samen te eten. Alleen is maar alleen. Drinken we straks  nog een glaasje?’

Restjes andijvie plakken aan zijn mondhoeken.

 

‘Het was gezellig, Bert, maar het is beter dat je vertrekt.’

Henk en Anja (21)

Fris als een hoentje staat Anja op. ‘s Nachts stond Henk opeens aan haar bed. Hij streelde haar en zei: ‘Meisje, wat doe je het goed, wat ben je dapper.’

‘Maar, Henk, je bent  ..’

‘Stil maar, je weet toch dat ik altijd bij je ben.’

‘Ik mis je zo. Het lijkt alsof een deel van mij is geamputeerd.’

‘We hebben het toch goed gehad samen? Dat neemt niemand van je af.’

‘Maar ..’

‘Pak de draad van je leven weer op. Je hoeft niet alleen te blijven.’

 

Gewoontegetrouw legt ze twee stapeltjes kleren klaar. Ze kijkt ernaar en pakt dan resoluut de kleding van Henk op.

‘Vandaag ga ik de kast leegruimen.’ zegt ze hardop.

Buiten lacht de zon haar toe.