GertJan, alle UKV’s

KINDERJAREN BASISSCHOOL


Jarig 


Vanuit zijn bed hoort hij ze stommelen. Straks zal moeder hem roepen. Zijn hoofd bonst, zijn ademhaling gaat snel. Eindelijk mag hij het cadeau uitpakken: de prinsessenbarbie met een roze jurk van tule.

‘GertJan,’ roept zijn moeder, ‘kom je?’

 

Hij rent de trap af. Zijn ouders geven hem een kus op de wang.

‘Gefeliciteerd, jongen. Acht jaar alweer.’

Het cadeau, verpakt in bruin kaftpapier, voelt hard aan. Hij staart naar houten blokken in een laadwagen.

‘Je vader heeft alles zelf gemaakt.’

‘Maar, krijg ik dan geen ...?’

‘Natuurlijk niet, jongens spelen niet met Barbies.’


Mannen onder elkaar


‘Zo jongen, vandaag gaat het gebeuren. Je eerste les timmeren. Je bent nu tien jaar. Even als mannen onder elkaar in de schuur.’

GertJan sjokt mee. 


Alles ligt klaar: een hamer, een zaag, spijkers, planken, latjes.

‘We gaan een nestkastje maken voor de vogels. Kijk goed hoe ik de zaag vasthoud.

...

‘Nee, niet zo. Kijk uit, je slaat de spijker scheef.’

Zijn handen trillen, de tanden van de zaag blinken.

‘Kom op, wees een kerel. Kijk anders eerst maar, hoe ik het doe.’


‘Pa, mag ik het nestkastje roze schilderen?’

‘Roze? Nee, we verven het mosgroen.’

GertJan knikt.


Orgelles


Hij belt aan. Een vrouw gekleed in een beige lamswollen trui doet open. Haar bruine ogen kijken hem vriendelijk aan.

‘Kom binnen, GertJan.’

Het huis oogt licht en vrolijk. Tegen de roomwitte muur staat een huisorgel met zilveren pijpen en pedalen.

‘Je eerste orgelles vandaag. Heb je er zin in?’

‘Gaat wel.’


In gedachten hoort hij de dreunende orgelklanken in de kerk die het niet-ritmische psalmgezang begeleiden.

‘Een orgel is een dienstbaar instrument ter eer en glorie van God,’ zei moeder altijd.


‘Ik speel iets voor je.’

Klanken buitelen lichtvoetig over elkaar heen. Alsof iemand hem hoog optilt.


Kermis


‘Ga je mee naar de kermis, GertJan?’

‘Eh ... ik mag daar niet naartoe van mijn ouders.’

‘Heel even toch wel? Niets zeggen thuis, ze komen er nooit achter.’

Hij sjokt mee, kijkt angstig om zich heen of er geen bekenden in de buurt zijn. 

Dan: muziek, felle kleuren, geluiden van botsauto’s, vrolijke stemmen.

Een grote kraam vol kaneelstokken, noga en zuurstokken lonkt, hij koopt er een.

‘Wat ben jij laat uit school,’ zegt zijn moeder, je bent toch niet ...?’

‘Nee ...’

‘Je ziet vuurrood, was je toch in die poel van verderf? 

Wat is dat roze spul tussen je tanden?’


Pepermunt


Ingeklemd tussen zwartgeklede mannen zit GertJan in de kerkenraadsbank naast zijn vader. Liever was hij bij zijn moeder gebleven die ziek op de bank ligt.

De pakken ruiken muf, zijn neus kriebelt.


Bij het gebed gaan de mannen als één blok staan. 

Uit de broekzak van ouderling Beekmans steekt een punt van een geruite zakdoek.

Na het amen snuit hij luidruchtig zijn neus. Hij neemt een pepermunt en geeft er ook een aan GertJan.


De pepermunt is kleverig als deze in de collectezak belandt. Een blinkende munt brandt in zijn zak om zoete spekkies te kopen de volgende dag.


Pakjesavond


In de badkamer ontbreekt de witte wasmand. GertJan gooit zijn vuile kleding op de grond.


Vanavond zal de mand op de eettafel staan, gevuld met cadeaus.

Geen surprises, want ‘aan die flauwekul doen wij niet mee,’ zei moeder altijd.

Geen Sinterklaas, geen zwarte piet: ‘Allemaal toneelspel.’

Een verlanglijstje heeft hij dit jaar niet gemaakt.

‘Wij geven alleen nuttige geschenken.’


Op tafel liggen de uitgepakte cadeaus: zelfgebreide wanten, sokken, een sjaal en een nieuwe pyjama.

‘Ben je er blij mee?’ vraagt moeder.

Hij knikt. 

 

Roze hartjes van fondant, meegebracht door oma, lonken. Zijn tong glijdt zacht over het bedwelmende zoet.


Verspelen



Er hangt een vreemde stilte, als GertJan uit school thuiskomt. Zijn moeder zit niet aan tafel met een kop thee.

‘Ma, waar ben je?’ roept hij.

Geen reactie.

Hij loopt naar zijn kamer en ziet haar zitten op zijn bed. Haar gezicht is inwit en haar ogen zijn roodomrand.

 ‘Wat is er?’ vraagt hij.

Ze wijst slechts met haar vinger naar de doos onder zijn bed.


De woorden komen  als dolksteken:

‘Stiekemerd, hoe kom jij hieraan? Verspeel jij de eeuwige zaligheid voor een paar uur plezier? Gooi die goddeloze barbiepop in de vuilnisbak. Verdwijn uit mijn ogen. Nu!’


Zieleheil


De dekens liggen half op de grond. Hij trekt ze over zich heen, maar warm wordt hij niet.

Beneden klinken luide stemmen, afgewisseld door gehuil.

Zal hij ...?


Voorzichtig stapt hij uit bed, sluipt de trap af en luistert aan de deur.

‘Nu ben je te ver gegaan.’

‘Moet ik dan maar toestaan dat hij met zo’n verdorven barbiepop speelt? God heeft de mens geschapen als man en vrouw.’

‘Je maakt hem kapot. Geen hap heeft hij gegeten.’

‘Zijn eeuwig zieleheil is meer waard.’

‘Houd op met dat gekwezel. Denk eens aan die jongen.’

...

De deurklink beweegt. Hij siddert.


Warme melk


De deur raakt zijn neus en bijna valt hij.

‘Wat doe jij hier?’ klinkt de stem van zijn vader.

‘Ik kan niet slapen.’

‘Zal ik een beker warme melk voor je maken?’

Met het hoofd voorovergebogen zit zijn moeder aan de eettafel. Haar schouders schokken. 

Hij blijft in de deuropening staan tot zijn vader terugkomt met de melk.

‘Mam, ik zal voortaan ...’

De woorden blijven steken in zijn keel.


Op de rand van zijn bed drinkt hij met kleine slokken van de melk. Even verandert de kou in weldadige warmte. Nooit meer zal hij zijn moeder dit verdriet aandoen.


Brintapap



‘GertJan, kom je bed uit. Het is half acht.’

Slaapdronken wankelt hij naar de stoel waarop zijn kleding klaarligt: een donkerblauwe Terlenkabroek met grijze trui.Flarden van herinneringen aan de avond ervoor komen naar boven: het schreeuwen van zijn vader, het huilen van zijn moeder.

 

Stilzwijgend eten ze Brintapap. Vandaag niet vragen om boterhammen met pindakaas. Nooit meer mogen ze ruzie krijgen door hem.

‘Zal ik de tafel afruimen, mama?’ vraagt hij.

Ze knikt: ‘Doe maar.’


Koffieprut


Hij dwingt zichzelf om niet in de vuilnisbak te kijken en loopt door.

‘Ga terug, ga terug,’ klinkt het in hem. De stem wordt sterker: ‘Je mag haar toch niet achterlaten in deze stinkbak?’

Maar wat, als zijn moeder hem ziet ...

‘Jongens spelen niet met Barbies,’ snerpt haar stem in hem.


De pop ruikt naar koffieprut en op haar zachtroze jurk zitten bruine vlekken.

‘Ik maak je helemaal schoon,’ fluistert hij, ‘jij hoort bij mij. Ik zorg ervoor dat je niets meer overkomt. Straks breng ik je naar oma. Ik kom vaak op bezoek, dat beloof ik je.’






MIDDELBARE SCHOOL


Tas


‘Oersterk en weerbestendig, daar kun je je hele schooltijd plezier van hebben,’ glundert zijn opa. De donkerbruine tas ruikt naar vers leer en ziet er onberispelijk uit.


Vandaag is zijn eerste schooldag op het gymnasium. Snelbinders klemmen zijn tas met boeken en broodtrommel stevig vast op de bagagedrager. Vanaf vandaag fietst hij elke dag zeven kilometer heen en terug. Alleen. 

Zijn klasgenoten zijn uitgezwermd naar andere scholen.


Met moeite vindt hij een vrije plek in de volle fietsenstalling. Hij baant zich een weg door grote groepen pratende en lachende medeleerlingen.

Op de grond liggen vele rugtassen op een hoop.


Verraad


Hij baant zich een weg naar de ingang. Overal grote groepen, de meeste jongens en meisjes zijn een kop groter dan hij. Opeens een bekend gezicht. GertJan stapt blij op hem af:

‘Hallo Lucas.’

Geen antwoord, wel een schelle meisjesstem:

‘Luuk, kén jij dat ventje?’

‘Ik geloof dat ik hem weleens heb gezien bij mij in de buurt.’

‘Maar wij kennen elkaar toch uit de kerk?’

‘Nee hoor.’


Als laatste arriveert hij bij lokaal 1c. Er is nog één plaats over: rechts vooraan bij de deur. 

Blikken prikken in zijn rug.

Hij slaat zijn pas gekafte boek open.


Vliegende vlamme


Ze draagt een nauwsluitende grijze rok met daarboven een zachtroze trui. GertJan kan zijn ogen niet van haar afhouden. Met haar nagels tikt ze op het bureau. Dan zegt ze bijna fluisterend:

‘We gaan beginnen met de les.’


Melodieus klinkt haar stem, als ze een gedicht van Guido Gezelle voordraagt:

‘Vliegende vlamme, vlerke van het zonnewiel ...’

Er klinkt gegiechel achter hem dat steeds luider wordt. Er wordt geschoven met voeten. Papier ritselt. Witte proppen vliegen door de lucht.


Ze stopt, kijkt de klas rond en zwijgt. Geluiden verstommen en zwellen weer aan als hij stoffer en blik pakt.


Bok


Zwetende lijven, gepropt in een benauwde kleedkamer.

Hij trekt een wit T-shirt aan, wurmt zich in zijn donkerblauwe gymbroek en loopt naar de gymzaal.

De rij is opgesteld in volgorde van grootte; als laatste sluit hij aan.

 

‘Doorrennen, niet verslappen,’ schreeuwt de gymleraar.

‘Hup, nog een paar rondjes. Tempo graag.’

De houten bok staat klaar met een springplank ervoor.

‘Één, twee, drie, springen maar, ik vang jullie op.’

Angstig kijkt GertJan naar het obstakel. Veel te hoog.

‘Jij daar achteraan, het is hier geen bejaardensoos. Springen, nu!’

Hij rent, aarzelt en staat stil, vlak voor de bok.


Eva


‘Goedemorgen,’ klinkt de heldere stem van de directeur, ‘hier is een nieuwe klasgenoot. Is er nog een plekje vrij?’


Naast hem staat een meisje: frêle met lange goudblonde haren. Haar ogen gericht op de vloer. Ze draagt een zachtroze trui.

‘Dit is Eva.’

GertJan kijkt naar de lege stoel aan zijn linkerzijde: de enige.

‘Ga daar maar zitten,’ zegt de directeur, ‘prima plek zo vooraan.’


Uit een leren schooltas pakt ze pas gekafte boeken.

Ze geurt naar frisse buitenlucht en Maja zeep. GertJan onderdrukt de neiging de zachte stof van haar trui aan te raken.

‘Welkom Eva,’ fluistert hij.


Hoge hakken


‘Goedemorgen,’ klinkt de heldere stem van de directeur, ‘hier is een nieuwe klasgenoot. Is er nog een plekje vrij?’


Naast hem staat een meisje: frêle met lange goudblonde haren. Haar ogen gericht op de vloer. Ze draagt een zachtroze trui.

‘Dit is Eva.’

GertJan kijkt naar de lege stoel aan zijn linkerzijde: de enige.

‘Ga daar maar zitten,’ zegt de directeur, ‘prima plek zo vooraan.’


Uit een leren schooltas pakt ze pas gekafte boeken.

Ze geurt naar frisse buitenlucht en Maja zeep. GertJan onderdrukt de neiging de zachte stof van haar trui aan te raken.

‘Welkom Eva,’ fluistert hij.


Roze verleiding 



‘Hoe was het op school?’ vraagt zijn moeder.

‘Goed, vandaag kwam er een nieuw meisje in mijn klas: Eva.’

‘Dat is vast de dochter van de mensen die pas in het dorp zijn komen wonen. Ze kennen God noch gebod en leven er maar op los.’

‘Hoe weet u dat nu?’

‘Ze zijn geen lid van onze kerk, lichtzinnige lui.’

‘Ik vind haar gewoon aardig.’

‘Ik sta absoluut niet toe dat je met haar omgaat.’


GertJan loopt naar zijn kamer, opent de doos onder zijn bed.

Hij streelt de roze jurk van zijn Barbiepop.

‘Ik noem je voortaan Eva.’




Stamhouder


‘GertJan, gehakt in de pan.’

Hij was het gewend om nagejouwd te worden. 

‘Niet reageren,’ zeiden zijn ouders, ‘dan houdt het vanzelf op.’

Maar het stopte niet. Zelfs de meester op school

grapte soms mee.


‘Ik wil een andere naam: noem me Gerard voortaan.’

‘Hoe haal je het in je hoofd,’ reageerde zijn moeder, ‘je heet GertJan naar je twee opa’s.’

‘Één naam was genoeg geweest.’

Gerard betekent: sterk en dapper, Johannes betekent: God is genadig. Deze namen horen bij elkaar.’

...

‘Niet huilen, de Heere beschikte dat er geen broers of zussen zouden bijkomen.

Jij bent stamhouder, de enige.’



ADOLESCENTIE


Feest


De tafel is gedekt met een wit damasten tafellaken.

Porseleinen borden met zilveren bestek wachten op een feestmaal.

De gasten heffen een lied aan:

‘Bloemen brengen altijd zegen,

daarom op dit zilv’ren feest ...’

GertJan ziet hoe zijn ouders met een glimlach aan het hoofd van de tafel zitten.

Oom Dirk gaat voor in gebed. Twintig minuten galmt het:

‘Och, mocht het nog eens komen staan te gebeuren, dat Uw goedertierenheid ons aanschijn zal verlichten ...’

Intussen staat de deur op een kier. Obers wachten gelaten met pannen soep.

Na het ‘amen’ lepelen de gasten lauwe kippenbouillon.

Het feest kan beginnen.


WERK/VOLWASSENHEID


Grap


‘Zullen we vandaag GertJan eens te grazen nemen, maat?’

‘We gaan die dooie diender even een poepie laten ruiken.’

‘Een stukje roze kauwgum op zijn stoel plakken. Dat kleeft dan lekker aan zijn grijze broek, haha.’

‘Straks heeft hij een belangrijke afspraak. Laten we het van te voren regelen.’

‘Tof, maat, ik ben wel toe aan een beetje afwisseling op dit saaie kantoor.’

...

‘Krijg nou wat, zie je dat? GertJan loopt daar met een grote doos.’

 

‘Tompouces  voor mijn collega’s, ik heb zojuist promotie gemaakt. Het ijs was meteen gebroken toen ze dat roze plakkaat op mijn pantalon zag.’


Cadeau


De coupé is halfleeg. Gelukkig zijn er geen bekenden. Hij haalt de folder van Blokker uit een katoenen tasje en bladert erin. Daar staat de aanbieding: Barbie Dreamtopia met blonde haren, lange jurk in regenboogkleuren en een roze kroon op haar hoofd.

Hij móet haar hebben voor zijn verzameling.

Als de conducteur binnenkomt, frommelt hij de folder snel weg.

 

Regelrecht loopt hij naar de speelgoedafdeling en neemt de doos met Barbie uit het schap. Ze is nog mooier dan op het plaatje.

Plots een bekende stem:

‘GertJan, wat doe jíj hier?’

‘Eh, ik zoek iets voor mijn jarige nichtje.’


Wuft


‘Een Bárbie voor je nichtje?’

De denigrerende toon komt als een dolksteek binnen.

‘Dat lijkt me een mooi cadeau voor een meisje van tien.’

‘Luister, GertJan, je weet toch dat zulke poppen in wufte kleding alleen maar zondige gedachten opwekken?’

...

‘Kijk me niet zo aan. Je zou als ouderling die de jeugd onderwijst beter moeten weten. Geef haar een boek uit de evangelische boekwinkel. Dat is een passend cadeau.’

 

Daar staat ze: een vrouw in een lange donkerblauwe rok. Woede kruipt omhoog. Hij staat niet meer voor zichzelf in.

 

Hij loopt weg zonder te groeten.

Dan komen de tranen.


HUWELIJK


De grote dag


Met een knallende hoofdpijn wordt hij wakker. 

Zijn moeder bonkt op de deur: ‘GertJan, wakker worden. Straks ben je nog te laat.’

Als hij zijn ogen opent, ziet hij als eerste het zwarte pak met het witte overhemd.

Zijn benen voelen zwaar als lood. Kon hij maar diep onder de dekens duiken.


‘Goedemorgen, jongen,’ zegt zijn vader, vandaag is het de mooiste dag van je leven. Straks zie je je bruid en geven jullie elkaar het jawoord voor Gods aangezicht. Je verlaat je vader en moeder en jullie zullen tot één vlees zijn.’

‘Ik ben liever vegetariër,’ mompelt hij.


Het huwelijk


De organist trekt alle registers open: de muziek dreunt de kerk binnen.

Psalmgezang zwelt aan, uit volle borst zingen de feestgangers:

‘Heft uwe handen naar omhoog ...’

De stem van de dominee dondert over ‘valse verleidingen des vleses’ en over ‘de smart van het baren van kinderen.’

GertJan hoort alles gelaten aan. Hij kijkt opzij naar zijn bruid. Haar anders zo bleke gezicht kleurt zachtroze. Haar jurk glanst. Vol verwachting glimlacht ze naar hem.

Tranen wellen op, Liesbeth is een lieve meid, die een betere man verdient dan hij.


Hij draagt haar over de drempel. Het witte tweepersoons donsdekbed wacht.


Huwelijksnacht


‘GertJan, help je me even met het losmaken van mijn rits?’

In het schemerlicht ziet ze er adembenemend mooi uit. Als de jurk op de grond ligt, is de betovering verbroken. Er staat een mollige, bleke vrouw. Hij aait over haar armen, haar huid rimpelt. Rond en slap voelt ze aan. Heel anders dan zijn strakke, puntige barbiepoppen.

De lallende woorden van zijn ooms echoën: ‘Eindelijk word je een echte kerel.’ ‘Vannacht gaat het gebeuren’ ‘Geef haar van Jetje.’


Hij trekt zijn pyjama aan en kruipt bij haar in het tweepersoonsbed. Behoedzaam tast hij haar naaktheid af.


Morgen


‘Trek het je niet aan, GertJan,’ had ze gezegd na zijn gestuntel. ‘Het was een enerverende dag, het komt allemaal wel goed.’

Hij weet wel beter nu, het is ijdele hoop.

‘Als je eenmaal een vrouw in je armen sluit, verdwijnen die tegennatuurlijke gevoelens, die de Here een gruwel zijn, als sneeuw voor de zon,’ zei ouderling Klaassen, die hij in vertrouwen nam.


Tussen het woelen door teisterden onrustige dromen zijn nacht. Beelden van het schoolkamp trokken voorbij: Peter en hij liggend in de tent, zijn strakke lijf, zijn krullen, zijn lach.



‘Kom je, GertJan? Ons eerste ontbijt samen.’





Liesbeth


Hij hoort een vreemd hoog geluid en aarzelt de deur te openen. Huilt Liesbeth nu?

‘Ik weet het niet meer, mam, het lijkt wel alsof hij me niet aantrekkelijk vindt ...

Dat probeerde ik ook, maar hij had geen belangstelling. Overdag is hij lief voor me, maar ‘s nachts ontwijkt hij me ...

Geduld heb ik wel, maar er is me altijd verteld dat mannen gretig zijn ...

Ik geloof dat ik GertJan hoor. Dag mam.’


Ze heeft blosjes op haar wangen. Hij kust haar.

‘Ik zal alles doen om je gelukkig te maken. Vanaf nu zul je echt mijn vrouw zijn.’


Op gesprek


‘En broeder, hoe bevalt de huwelijkse staat?’

‘Mijn vrouw Liesbeth is lief en zorgzaam. Het is fijn om niet meer alleen te zijn.’

‘Lukt het om aan de huwelijkse verplichtingen te voldoen?’

Een brede glimlach krult zijn lippen.

‘Dat is de reden van mijn komst. Eerder sprak ik al met u over mijn gevoelens. Ik houd van Liesbeth, maar ik ben nog steeds niet verliefd.’

‘Blijven bidden, broeder. De Here zal u kracht geven om de tegennatuurlijke neigingen te overwinnen. De beloning zal groot zijn: Hij zal u nageslacht schenken.’

‘Maar ...’

‘Geen tegenwerpingen, broeder, vertrouw maar op Hem.’




KERK


Zee van roze


Een net pak, een donkerblauwe stropdas. Daarboven het ernstige gezicht van een man met blonde krullen en blauwe ogen.

‘Draag nooit pasteltinten, GertJan,

zei mijn moeder vroeger, ‘dan lijk je op een meisje.’

 

Nogmaals leest hij de uitnodiging voor de reünie en bekijkt een oude schoolfoto: blonde krullen, een lachend gezicht, een felroze trui. Zijn oud-klasgenoten zouden hem eens moeten zien: een keurige ouderling in het grijs.

 

‘Goedenavond broeders, een overvolle agenda vanavond.’

De dominee gaat voor in gebed, daarna verhitte hoofden, luide stemmen.

 

Thuis opent hij de kast met barbiepoppen en verzinkt in een zee van roze.



 

Theater

Flarden van zinnen flitsen door zijn hoofd. Hij kan de slaap niet vatten na de verhitte kerkenraadsvergadering.

 

‘De werkelijkheid is geen spel, broeders,’ galmde de stem van de dominee, ‘toneel is een instrument van de duivel. 

GertJan, jij hebt de verantwoordelijkheid de jeugd van onze gemeente te behoeden voor verleidingen. Geen theater dus.’

Zeg onze jongeren dat ze sterk moeten zijn. Ze mogen zich niet vertonen op plekken waar ontucht welig tiert.’

Hij had alleen maar geknikt.

 

Het zweet breekt hem uit. Hij is een acteur zonder podium, meegesleept in een wereld van schijn.  Een voorstelling zonder publiek.


Roze koeken


‘‘Dag jongen,’ zegt ze warm.

Hij kijkt naar haar rimpelige huid met bruine vlekken. Haar ogen stralen, een glimlach siert haar mond.

‘Dag oma.’

Ze schenkt koffie in en opent de blikken trommel met roze koeken.

‘Neem er maar twee, ik weet dat je er dol op bent.

Gaat het een beetje? Je ziet er pips uit.’

‘Ach, een beetje druk de laatste tijd.’

‘Neem je niet te veel hooi op je vork?’

...

Hij snuift de vertrouwde geuren op: vanille, Boldoot en lavendel. 

Even is hij weer de kleine jongen. Hij hoeft niets. De koek verkruimelt in zijn handen.